Ome Arie

“Ach meneer, het valt allemaal niet mee.” zei de oude baas, en hij nam licht kreunend plaats op de andere uiterste punt van mijn favoriete bankje bij de haven. Hij zat duidelijk om een praatje verlegen. Ik keek opzij en glimlachte beamend. Een middelbare man fietste voorbij en groette: “Ome Arie…” De baas tilde zijn hand op ter begroeting. “Het is geen echte neef. Iedereen noemt me zo”, zei hij bijna verontschuldigend. “Ik ben Ype”, zei ik. “Fries, zeker?” Stelde hij de standaardvraag. Ik knikte. “Uit een ver verleden.” Het standaardantwoord. We keken weer voor ons uit de haven in. Er was geen beweging. Het water kabbelde wat. Er zat altijd wat onrust in door de sterke stroming in het Spui. Hij stopte een pijp en keek verbaasd opzij toen ik zijn voorbeeld volgde. “De laatsten der Mohikanen”, zei hij, toen hij er de brand in stak, hetgeen gepaard ging met enorme rookwolken. “Inclusief de rooksignalen…” grapte ik, maar hij leek er de lol niet van in te zien. “Kijk, meneer Ype,” pafte hij, “Ze werkt soms op mijn zenuwen.” Ik keek niet begrijpend. “Riek, mijn vrouw.” verduidelijkte hij. “Het begon vanmorgen al.” Ik ging er eens goed voor zitten. “Ze houdt van een ander soort natuurfilms dan waar ik van houd, als u begrijpt wat ik bedoel. Wilde ik vanmorgen dus net, heel voorzichtig, want die dingen breken nogal gemakkelijk, in mijn ontbijt-beschuitje met kersenjam bijten, is op ons grote televisiescherm te zien, hoe een leeuw een antilope gaat zitten slopen, walgelijk…” Ik kon me er iets bij voorstellen. “Ik kon geen hap meer door mijn keel krijgen heb de fiets gepakt en ben vertrokken…” Het bleef even stil. We bliezen allebei geurige rookwolkjes uit en begrepen elkaar. 

“Vroeger ging ik ‘s ochtends vroeg de koeien melken en had de rest van de dag altijd wel genoeg te doen. Zij deed het huishouden en alles was helder.” Een rookwolkje verliet zijn pijp. “We hebben de boerderij overgedaan aan mijn zoon en wonen in een appartement. Nu klaagt ze steeds, dat ik niks doe en alleen maar in de weg zit. En dat is natuurlijk ook zo. Wij zijn allebei onze vrijheid kwijt. Bij mooi weer kan ik hier mijn pijpje roken. maar als het regent zit ik naar de gruwelen van de Serengeti te kijken.” Ik kreeg medelijden. “Maar hebt u dan zelf geen programma’s, die u leuk vindt?” Hij dacht even na. 

“De natuurfilms, die ik mooi vind, wil zij niet zien. En voetballen ook niet.” Hij zuchtte. “En met die Corona-ellende is er ook weinig sport, dus er blijft voor mij niet veel over.” Er fietste een mooie jongedame met een hond aan de lijn langs. “Mooie hond,” zei ik met een knipoog. “Zeg dat wel,” zei ome Arie die opstond, het vrouwelijk schoon helemaal  nakijkend.  Hij klopte zijn pijp uit en stapte glimlachend op zijn fiets, zei: “Ziet er toch veel aantrekkelijker uit dan een schijtend nijlpaard?!” En fietste weg, de rug wat krom en zijn pet een beetje scheef op zijn grijze krullen.