Bij gebrek aan terrasjes keek ik nu vanuit mijn auto naar het voorbijgaande leven terwijl mijn lief boodschappen deed. Mensen kijken is fascinerend. Een chagrijnige dame met een erg diep uitgesneden truitje blubberde voorbij. ‘Dril-colleté,’ dacht ik. Naast haar liep haar lijfwacht; een even chagrijnig kijkende spierbundel met zijn armen een beetje wijd. Alsof hij zijn oksels geschoren had en daar prikkende aftershave op had gespoten. “Wanneer ga je eens een stukkie over mij schrijven?” Naast mijn auto stond een grijze grijns in een blauw Albert Hein-jasje. Ik kende haar nog van vroeger. Met haar altijd lachende gezicht ondanks de nodige tegenslag. Ik moest denken aan een bekend liedje van Herman van Veen. Kletsnatte clowns: “De vrouw van de bakker verbergt haar blauwe plekken…” Ze leest altijd mijn stukjes. Een fan. Ik glimlachte terug, opende mijn raampje en maakte een praatje verwarmd door een heerlijk zonnetje.Lachend zwaaide ze naar me en ging weer winkelwagentjes duwen. Een eindeloze rij kwam moeizaam op gang door het geduw van de grijze heldin van de winkel. Ze had gewoon gewerkt tijdens de crisis. Want ze moest toch voor brood op de plank zorgen voor zichzelf en haar kinderen. Het Dril-colleté kwam terug. Ze keek nog steeds niet blij. “Nog een week wachten voordat er plek is in die nagelstudio! Die klote-corona… ” De spierbundel slofte een beetje achter haar aan. En verbeeldde ik het me en slofte hij ook een beetje wijdbeens? De tweede eindeloze rij winkelwagentjes ratelde voorbij, geduwd door heldinnen met ruwe nagels van het werken. Corona of geen Corona.