Leverworst

Mijn vader was een echte wetenschapper. Hij was zeer geïnteresseerd in de penetratie-snelheid van de geur van leverworst door ons huis. Om deze proefondervindelijk te bepalen had hij een proefopstelling bedacht: Enerzijds onze teckel Court en anderzijds de koelkast. hij had voor het experiment speciaal een stopwatch aangeschaft. Wij mochten hem bij dit wetenschappelijk werk assisteren.

Eerst werd de afstand tussen de teckel en de koelkast nauwkeurig gemeten. Vervolgens werd afgewacht tot teckel Court diep in slaap leek en vervolgens werd de koelkast met daarin de leverworst geopend. En op het moment van openen werd de stopwatch gestart. Wanneer ons proefdier wakker werd en van de bank afsprong met als doel de koelkast, werd de tijd gestopt. We waren het erover eens, dat het moment, dat ons proefdier de ogen opende niet ver na het moment van de gewaarwording van de leverworstgeur moest zijn. Dan was het slechts de afstand delen door de tijd en de penetratie-snelheid in meters per seconde was bepaald.

Er rees echter de nodige twijfel. Het zou kunnen zijn, dat onze viervoeter reageerde op het geluid van de koelkastdeur in plaats van op de geur. Dan hadden we niet meer berekend dan de snelheid van het geluid. Gezien de uitkomst van onze berekeningen was dat ook aannemelijk. Dus diende het experiment te worden bijgesteld: De teckel mocht niets horen. Dus het arme dier kreeg een koptelefoon op met muziek en zat ons daarmee behoorlijk besodemietert aan te kijken. Vervolgens werd de proef herhaald. Nu was Court redelijk slim, dus die stond al voordat de koelkastdeur open ging naast mijn vader. En een negatieve snelheid leek ons niet de juiste uitkomst. Dus diende er opnieuw te worden nagedacht over ons onderzoek. Nu ging mijn zus in plaats van mijn vader de ijskast en de stopwatch bedienen. De teckel vond het een geweldig leuk spelletje, want het leverde heel wat leverworst op. Hij stond luid kwispelend naast onze wetenschaps-assistente. Mis. De test werd dus opgeschort. De stopwatch opgeborgen. En ons proefdier lag met een tevreden grijns om zijn bek te slapen.

straks

straks zullen onze handen gaan beven

straks zullen onze stemmen gaan kraken

straks zullen we minder gaan horen

straks zullen we vager gaan zien

straks zal één van ons de ander moeten laten gaan

straks zal diegene weten

dat we elkaar uiteindelijk toch weer zullen vinden…..

 

druiven

2 druiven lopen door de gaard,
zegt de een: “Ik kom later vast op een mooie bruidstaart!”
De ander: “En ik in de wijn, voor als hun huwelijk 25 x verjaart!”
Maar beiden worden gespaard,
krijgen een grotere eer
belanden in de jam op het beschuitje voor een vrouw,
heel bejaard, heel teer,
gesmeerd door haar lief, op een gewone dag, na 60 jaar trouw…

de parkman1

1 . De eenden

De ochtend ontwaakte veelbelovend, na een schitterende sterrennacht. De man lag op zijn rug op het bankje in het park; precies zo, als hij in slaap was gevallen nadat hij uren sterren had liggen turen. Het was perfect geweest: de donkere nacht, de maan, de sterren in het nu, zonder verleden, zonder toekomst.

Hij werd wakker, en sloeg, schrikkend van het felle licht zijn hand voor zijn ogen. Langzaam kwam hij omhoog en keek om zich heen. Hij zat in een park, dat eruit zag als parken doen: Gras, bomen, struiken en een vijver met eenden. Vogels pikten iets uit het gras, eenden kwaakten luid. Naast de bank stond een plastic tasje met zijn bezittingen.

Een jonge vrouw naderde het bankje. Ze droeg een soort schooltas, en zag er niet tevreden uit. Ze ging zitten op het vrijgebleven puntje van de bank.  Ze zette haar tas naast de bank en rekte zich uit. Hij rekte zich ook uit en keek verbaasd opzij naar haar.

“Ik spijbel” zei ze, zonder hem aan te kijken. “Dat doe ik al heel lang”, antwoordde de man. Ze keek opzij. “Dat is te zien” zei ze bijdehand. De man reageerde niet. Hij wist, dat hij eruit zag als een zwerver. Hij rommelde wat in zijn plastic zakje en haalde er een oud stuk brood uit en wilde een hap nemen. Zij keek vol walging naar het beschimmelde hompje witbrood, dat hij naar zijn mond bracht en, voor ze er erg in had, riep: “Stop! Dat smerige stuk brood kun je toch niet meer eten?” “Waarom niet,” zei hij verbaasd, “Het is beter dan honger lijden”.  “Wil je een boterham van mij?” zei ze, terwijl ze haar tas pakte en er een broodtrommeltje uithaalde. De man twijfelde even, gooide zijn vermeende ontbijt terug in het plastic tasje en nam het alternatief aan,  en zei: “Graag”

Zwijgend at hij zijn zojuist gekregen ontbijt. De jonge vrouw zat ondertussen op haar telefoontje te kijken. Vervolgens zette ze deze uit, en zei: “Zo, even rust, even vrij”

De man reageerde niet. Hij at het laatste stukje brood op.

“Ik maak iedere ochtend brood voor mezelf, maar ik eet het meestal niet eens op” “Het is altijd hetzelfde; twee met pindakaas en twee met jam” Ze keek de zwerver aan, die zijn groezelige vingers aflikte. “Vond je het lekker?” “Ja” zei hij kortaf.

Tegenover het bankje was een vijver. Tussen de waterplanten zwommen eenden, veel eenden, die zorgden voor een rimpelpatroon in het verder spiegelgladde wateroppervlak . Een oudere dame kwam aangeschuifeld, haalde een zakje uit het mandje van haar rollator en begon het daaruit gehaalde brood aan de eendjes te voeren. Vanuit alle hoeken van de vijver kwamen de hongerige vogels haar kant opgevlogen. Het water spatte op op het moment dat ze landden vlakbij de voedseldropplaats.

De man vloog overeind en rende naar de vijver, verbaasd nagestaard door de vrouw. Met grote armgebaren en luid schreeuwend rende hij naar de oude dame, die schrok en viel. De eenden vlogen weg. De dame begon te gillen en om zich heen te slaan. De man bood aan haar overeind te helpen, maar kreeg een harde klap met het handtasje van het oudje. De man begon tegen de dame te praten, maar dat leek niet echt te helpen. Andere mensen kwamen naderbij gerend en de man vluchtte weer richting bankje. Achter hem wees de bejaarde zijn richting uit en een potige figuur kwam hun kant op. “Vlug, weg, hier” zei hij, en voordat zij er erg in had, renden ze samen weg van het bankje. Hij met zijn plastic tasje en zij met haar schooltas.

“Maar wat doe je nou?” zei zij. “Wegrennen” hijgde hij, “Net als jij” Zij besefte dat zij inderdaad aan het meerennen was, zonder te begrijpen waarom. “Hierheen!” Ze werd bij haar arm gepakt en mee de bosjes ingesleurd. “Hier heb ik een schuilplaats.”

De schuilplaats was een kuil in de grond, provisorisch voorzien van een dak van takken en  bladeren. Er stonden oude bierkratten met vale kussentjes erop om op te zitten. Ze gingen zitten en hoorden de achtervolging aan hen voorbij gaan. Het werd stil. “Zo, even rust” zei hij, “En nu maar hopen, dat ze er geen speurhonden bij gaan halen”.

Even bleef het stil. “Waarom viel je die oude vrouw aan?” “Ik viel die vrouw helemaal niet aan” “Ik zag het toch?!” ze klonk boos. Hij zei zachtjes, toch iets schuldbewust: “Ze voerde de eendjes” “Ja, duuuh” ze was boos. Hij herpakte zich en ging verder: “En dat moet ze niet doen, dan worden die beesten afhankelijk van haar. Die vogels moeten vrij zijn, kunnen vliegen waar ze willen, zonder zich verplicht te voelen naar deze plek te komen, omdat een of andere ouwe heks ze dan brood geeft” Ze stond op, “Jij bent dus gewoon een gestoorde gek”, pakte haar tas en wilde weglopen. “Ik viel die vrouw niet aan; ik verjoeg de eenden!” “Maar waarom zou je die eenden nou verjagen!?” Ze stonden nu tegenover elkaar. “Om ze tegen zichzelf te beschermen, dat ze door hun hebzucht  hun eendwaardigheid niet zouden verliezen!”

Ze ging weer zitten. “Eendwaardigheid?” ze zuchtte, “What the hell is eendwaardigheid?” “Net als menswaardigheid, maar dan voor eenden” Ze was even met stomheid geslagen. Na een paar minuten ging ze, weer wat rustiger, verder: “En hebzucht? Bij eenden? hou toch op, man!” Hij zweeg. “Bovendien: jij nam toch ook een boterham van mij aan?” Hij zweeg nu nog harder.

Op de achtergrond klonken de stadsgeluiden, soms wat vogels. Een hond blafte. “Shit” zei hij, overeind springend, “Politiehonden” Zij keek verbaasd. “We moeten weg hier, ze mogen mijn schuilkuil niet vinden!” Zij pakte haar tas, en stond op. Hij was al buiten. “Ik ben weg” En hij was weg. Zij klom uit de schuilkuil en ging terug naar het bankje. Van een speurhond was geen sprake….

2.  de agent

De volgende morgen ontwaakte zoals de vorige; een blauwe lucht vol leven, vogels pikten er lustig op los in het gras. Het bankje was leeg. De oude dame van gisteren, met haar rollator, kwam aarzelend dichterbij. Ze werd nu vergezeld door een jongetje.  Ze liepen naar de waterkant, de zak met brood kwam weer uit het rollator-mandje. Weer kwamen de eenden van heinde en verre aangevlogen op weg naar hun ontbijt. En wederom was het een spetterend gezicht; het landen van al deze vogels in de eerst zo rimpelloze vijver van het park.

De jonge vrouw kwam aangefietst. Ze stapte af bij het bankje en ging zich installeren voor een heerlijke ochtend. Ze zette haar fiets weg, pakte een kussentje voor op de harde bank, deed haar truitje uit. Ze had een bovenstukje van een bikini eronder aan. Ze deed de bandjes naar beneden en haar zonnebril op.   Met bandeloze schouders genoot ze van de zon. Toen zag ze de dame van gisteren bij de vijver, en vroeg zich af, of deze haar zou herkennen. Maar daar bleek niets van, en ze leunde achterover, de rust over zich heen komen latend.

Plots was hij er weer, nu geheel naakt. Hij sprong de ondiepe vijver in en begon, rondrennend met hoog opgeheven benen de eenden weg te jagen. Het oude dametje schrok en schreeuwde moord en brand, het kind dicht tegen zich aantrekkend. De eenden stegen luid kwakend op, de naakte man bleef alleen achter in de vijver. Nadat de rust was weergekeerd, stond hij er wat lullig bij in de ondiepe poel, maar besefte al snel, dat hij beter weer kon vluchten. En weg was hij.

De vrouw had alles gezien, opgeschrikt door het protesterende gesnater van de eenden. Verbaasd had ze toegekeken. De man zag er beter uit, dan ze had verwacht, Hij was minder wit, nee, eerder bruin, en behoorlijk gespierd.  Maar wat deed hij daar, waarom offerde hij zijn menswaardigheid op voor de, zoals hij het genoemd had, eendwaardigheid van de vogels? Ze pakte haar boek en probeerde te lezen. Het lukte niet erg, ze bleef nadenken over het voorval. En steeds zag ze het beeld van de naakte man voor zich, zoals hij daar had gestaan, groot, maar kwetsbaar.

Na een uurtje kwam er een agent.

Ze deed de bandjes van haar bovenstukje omhoog, toen ze de agent naar haar toe zag komen. “Goedemorgen,” zei de agent, “Goedemorgen” antwoordde de vrouw. “Ongeveer een uur geleden kregen we een melding, dat er hier een oude dame met haar kleinzoon zijn aangevallen door een perverseling! Volgens het slachtoffer zat er hier toen een jongedame. Was u dat?  Zat u hier toen ook al? Zo, ja, kunt u mij dan vertellen wat u gezien hebt?” De vrouw voelde zich een beetje overvallen. “Ik heb wel wat gezien, maar dat was een man, die de eenden wegjoeg, wel vreemd, maar niet echt pervers, volgens mij” De agent keek haar vorsend aan. “Maar volgens de dame en haar kleinzoon was hij was naakt!”

Ze dacht heel even na. “Goh, dan had ik toch beter moeten kijken” loog ze, “Met deze zonnebril op was me dat niet opgevallen” Ze deed haar schouderbandjes weer omlaag, pakte haar boek, en deed, alsof ze weer ging lezen.

De agent stond er een beetje teleurgesteld bij. “Dus meer hebt u niet gezien?” Ze keek op: “Meer kan ik er niet van maken” zei ze, “Goedemorgen en een prettige dag verder!” De boodschap was duidelijk.

De agent vertrok. Hij mompelde nog een beleefd “Goedemorgen, u ook” en ging.

Het lezen lukte niet meer. Vragen bleven door haar hoofd spoken? Waarom? Maar vooral: waar zou hij zijn? De schuilkuil? Zou ze gaan kijken? Zou hij nog naakt zijn, en gevaarlijk? Ze legde het boek opzij, en pakte haar spullen in. Ze ging op zoek naar de schuilkuil.

Het kostte even wat moeite, maar ze vond de plek wel terug. De kuil was leeg. De zitkratjes en de kussentjes waren weg. Er was geen spoor van de man meer te vinden. Ze keek nog een tijdje rond, maar het bleef een lege kuil, meer niet.

Teleurgesteld ging ze terug naar het bankje, maar dat was inmiddels bezet door een erg verliefd stel. Dan maar naar huis, waar ze ongestoord op haar balkon in het zonnetje kon genieten, ongezien, lekker in haar nakie, totaal bandeloos. Maar de gedachte aan de parkman bleef….

3. Zondag

Zondagmorgen, de stad werd langzamer wakker dan anders. Het was weer een mooie dag. Zonnestralen verlichtten het beetje vale behang van het appartement. De vrouw werd wakker. Ze was moeilijk in slaap gekomen, denkend aan het vreemde voorval, maar had daarna toch heerlijk geslapen. Ze deed de dingen, die ze meestal op zondagmorgen deed. Lome rituelen, waarvan ze erg kon genieten. Toch bleef er een onrust; ze was nieuwsgierig. Zou ze naar het park gaan? Ze moest eigenlijk nog studeren voor een tentamen;  Ze moest het loslaten.

Het park was als altijd op zonnige zondagochtenden. Het gras groen, de vijvers vol eenden, die traag zwommen, af en toe de snavel in het water om wat eetbaars op te diepen. Het bankje was leeg. Ernaast lagen 2 bierblikjes, een leeg patatbakje en een vol condoom als herinneringen aan een zwoele avond bij een mooie sterrenhemel.

Ze keek vies naar het condoom, maar ging toch op het bankje zitten, als de dag ervoor, schouderbandjes omlaag. Ze wilde misschien nog eens naar het strand, en vond de witte strepen van de bandjes erg lelijk. Eigenlijk wilde ze het liefst helemaal bruin worden, maar in het park durfde ze niet verder te gaan dan zo. Ze nam haar boek en probeerde te studeren. De oude dame durfde waarschijnlijk niet meer te komen, want de waterkant bleef leeg. De eenden zwommen onbezorgd, de snavel af en toe in het water op zoek naar eendwaardig voedsel.

Opeens zat hij naast haar, alsof hij nooit was weggeweest.

Ze keek op van haar boek en opzij. Hij zat achterover op het bankje en zag er ontspannen uit. “Die ouwe taart komt vast niet terug om de eenden te voeren”, zei hij. “Dat denk ik ook”. Ze klonk wat kortaf. Het bleef daarna stil.

“Er was hier gisteren nog een agent, die naar je vroeg, of tenminste, aan mij vroeg, of ik een perverseling had gezien, die in zijn nakie oude dametjes de stuipen op het lijf joeg”

“En, wat heb je hem verteld?” “Dat ik alleen een gek had gezien, die eenden wegjoeg” Ze glimlachte, “En dat het, me tot mijn spijt, niet was opgevallen, dat hij naakt was”. Hij glimlachte nu ook. “Ik wilde de dame niet de stuipen op het lijf jagen, ik wilde alleen voorkomen, dat ze de eenden ging voeren”. Ze keek hem weer aan: “Waarom??” “Dat heb ik toch al uitgelegd?” was zijn wedervraag. “Vanwege het behoud van de eendwaardigheid…” herhaalde zij, met een sarcastische ondertoon,  de uitleg van de spijbeldag. Hij leunde tevreden achterover. “Dus je weet het nog!”

Het bleef even stil. Er schoof een wolkje voor de zon. “Eén klein kutwolkje aan de hele blauwe lucht, en dat ene kleine kutwolkje moet voor de zon gaan hangen! Rot op, kssst!” riep ze, al wuivend naar de hemel. Nu keek hij opzij, “En jij vindt mij gek?” zei hij, met een lachje. Zij lachte ook even, en strekte zich weer uit in de inmiddels weer onbelemmerd schijnende zon. “Zo, dat is beter!” zei ze.

Zo zaten ze te genieten van de nazomerzon. Het park leek aan hen voorbij te gaan; kinderen speelden, honden blaften er ging een meisje op skates voorbij. De tijd verstreek, waarin zij las in haar studieboek en hij gewoon zat rond te kijken, zonder iets te zien. Niemand probeerde de eendjes te voeren.

De ochtend werd middag, de middag werd avond. Ze kreeg honger en vroeg of hij ook trek had. Hij reageerde niet, alsof hij haar niet hoorde. “Ik ben even weg”, zei ze, en vertrok. Na een halfuurtje kwam ze terug met een stokbrood en wat kaas. Hij was weg. “Rare snijboon”, zei ze tegen niemand, en nam een hap van het stokbrood. Ze at alleen, want hij bleef weg.

4. de herfst

Die week spijbelde ze niet. De tentamens kwamen dichterbij en ze wilde wel wat maken van haar studie. Ze kwam ook niet meer in het park, maar dacht er nog vaak aan. ‘Hoe zou het met hem zijn?’ en ‘Zou hij het eendjes-voeren nog bestrijden?’ Maar naar gelang de tijd verstreek doofden ook deze gedachten uit, en de nazomer ging over in de herfst. De bladeren vielen de winter tegemoet, de vogels verhuisden. De tijd ging voorbij, zoals het water door de rivier stroomt, gestaag maar zeker.

Ze haalde haar tentamens en werd verliefd. De parkman verhuisde in haar gedachten naar een plek in een ver verleden.  Maar nooit helemaal weg. Op een dag ging ze naar het park. Het gras was bedekt met bladeren, de eenden zwommen alsof er niets aan de hand was, en dat was natuurlijk ook zo. De schuilkuil lag niet meer verscholen achter de struiken, stond vol water en het dak was deels weggewaaid. Ze besefte, dat ze hem moest vergeten. Ze wist niet eens zijn naam. In haar gedachten noemde ze hem ‘Dries’, omdat ze hem een dolle Dries vond, zoals hij naar de vijver rende om de eenden te ‘redden’ van oude vrouwtjes, die hen, volgens hem, wilden dood-voeren. Ze vertelde haar vriend niet over Dries.

5. de winter

De liefde ging weer voorbij;  ze had zich steeds minder vrij gevoeld. Zoals altijd begon het vol vuur en vlam, als een kachel, die haar winter verwarmde. Tot het haar begon op te vallen, dat ze de neiging kreeg om na iedere vrij-partij uit bed te gaan en een badjas aan te trekken. Het naakt zijn voelde steeds minder natuurlijk aan in zijn nabijheid.  Hij was wel lief, maar op het laatst toch niet veel meer dan een levende vibrator, met steeds zwakker wordende batterijen. Eentje, die je niet de rest van je leven op je nachtkastje wilt hebben. Ze had het hem heel voorzichtig verteld, hij nam het goed op. Zijn verdriet zou niet lang duren, waarschijnlijk tot hij zijn vrienden zou vertellen, hoe slecht ze wel niet in bed was. Het kon haar niet veel schelen. Ze was weer vrij.

Later die winter, het was inmiddels het volgende jaar, liep ze op een zonnige zaterdag door het park. Op de vijver werd geschaatst, de eenden waren gevlucht naar een wak onder de brug. Oude dametjes vonden het te koud om ze te voeren. Het grasveld was wit van de sneeuw, dat kraakte wanneer er over gelopen werd. Op het bankje lag de parkman, diep ineengedoken het koud te hebben in een oude legerjas, die zij nog niet eerder gezien had. Ze stopte, veegde de sneeuw van het bankje en ging zitten. Hij zag er niet goed uit, rilde en had doffe ogen, die haar wel herkenden.  Ze moest even denken. Het was niet haar gewoonte vreemde mannen mee te nemen, maar ze kon hem hier toch niet zo achterlaten. Ze besloot het risico te nemen. “Ga met me mee om warm te worden”, zei ze, op een toon, die geen tegenspraak duldde. Hij ging mee.

6. Weer warm

In haar appartement hielp ze hem uit zijn jas. Eronder droeg hij een sweater en een t-shirt. “Vind je het gek, dat je sterft van de kou” zei ze. “Je kunt het beste even een warme douche nemen om weer een beetje op temperatuur te komen” Ze nam hem mee naar de badkamer en toen hij daar wezenloos, haast verdoofd bleef staan hielp ze  hem zich uit te kleden. Onder zijn spijkerbroek had hij geen onderbroek aan. Nu begreep ze, waarom hij die zomer naakt de eenden had verjaagd. Hij had gewoon geen onderbroek. Ze zette de douche aan. Ondertussen stond hij er suffig bij.

Ze waste hem als een zorgzame moeder, zijn lange haar, zijn baard met haar shampoo, en ze zeepte de rest in met haar zeep. Hij was duidelijk minder bruin dan van de zomer, nu wit zelfs. Zijn huid zag er gelukkig nog goed uit. Hij ontdooide gewoon, en genoot van de warme stralen en mogelijk, maar niet zichtbaar, ook van het gezelschap.

Na een halfuur ontdooien door het warm water deed ze de douche uit en gaf hem een handdoek, en zei: “Kom, en laat je kleren maar even liggen, dan kan ik die wassen” Ze gaf hem een badjas van haarzelf.  Ze liep naar de huiskamer en ging zitten op de bank. Nadat hij zich afgedroogd had en de badjas aangetrokken weifelde hij ook naar de huiskamer. Het was lekker warm. Hij keek rond. Buiten werd het inmiddels donker. Ze deed wat lichten aan, maar net voldoende om de sfeer niet te verblinden.”Ik zal wat te eten voor ons maken, en wat te drinken pakken. Ga zitten” Ze ging even weg. Hij keek en liep rond. Het was een mooi appartement met een schuifpui naar een groot balkon, nee, meer terras.Ze kwam terug met 2 glazen. “Hier, dit heb ik in huis, Cointreau, daar zul je van opknappen” Hij nam het glas aan. Even twijfelde hij: “Ik heb al 3 jaar niets meer gedronken, omdat alcohol de neiging heeft mensen onvrij te maken..” Zij keek hem aan. “Drink gewoon. Ik heb niet gezegd, dat je gelijk de fles moet leeg zuipen”. Hij nam een slok, het smaakte eigenlijk prima. “Je was toch geen alcoholist?” vroeg ze, even bang, dat ze hem misschien weer aan de drank zou doen geraken. “Nee, verre van dat” zei hij. En nam nog een slok. Zij nam ook een slok.

“Je woont hier mooi” Hij leunde relaxed achterover. Ze knikte, “Dit appartement is eigenlijk van mijn ouders. Ze zijn naar Frankrijk verhuisd, maar hebben dit gehouden voor later. Ik mag er zolang in wonen. Ik vraag me af, of ze ooit terug willen komen”

Het was even stil. Een perfecte stilte, die niet ongemakkelijk aanvoelde. Hij had zijn ogen even dicht, zij keek opzij. “Ik noemde je in mijn gedachten steeds Dries” zei ze.   “Dries vind ik best, dan noem ik jou Aagje”  Het was weer even stil. Ze stond op en ging de fles halen.

Ze aten een uitsmijter, daar ze weinig anders in huis had dan eieren, spek en brood. Hij liet het zich goed smaken. Zijn kleren had ze inmiddels in de was gedaan. Na het eten maakte ze koffie. Ze had duizend vragen, maar durfde ze niet te stellen, bang dat hij dan direct weer de vrieskou in zou vluchten. Volkomen onverwacht begon hij zelf de niet gestelde vragen te beantwoorden:

7. Antwoorden

“In ons leven is alleen het feit, dat we doodgaan geen keuze. Op het moment, dat we geboren worden, hebben we allemaal de doodstraf.” Hij nam een slok koffie. “Maar hoe we leven, en soms zelfs hoe we doodgaan, dat zijn keuzes”  Weer een slok. “Ik gun de eenden in het park best een stukkie brood, maar ik weet, dat ze afhankelijk worden van goedbedoelende oude dametjes.” Aagje sputterde tegen: “Nou, afhankelijk; ze hebben toch de keuze om al dan niet van het brood te eten?” “Wanneer er eten voor een dier wordt neergelegd, eet deze het gewoon op. In de natuur bestaan geen bewuste keuzes” Ze moest hem wel gelijk geven, maar probeerde toch nog even: “Dus dan maak jij voor hen de keuze, dat ze geen brood meer van oude dametjes mogen krijgen?” Ze leunde achterover. Het bleef even stil.  Hij herhaalde het: “Ik maak de keuze voor de eenden”, en dacht even na, keek haar toen aan: “Heb jij vandaag een oude dame eendjes zien voeren? Op een winterdag, wanneer het misschien wel nodig is?” “Nee” “Dat bedoel ik; eenden kunnen op zich prima overleven zonder te worden bijgevoerd, zeker s’zomers. Wanneer je ze dan afhankelijk maakt, kunnen ze zich ’s winters helemaal niet meer redden” Hij leunde ook achterover. Het bleef weer even stil en ze dronken de laatste, inmiddels koude, koffie uit hun mok.

Ze stond op en ging nieuwe koffie halen. De wasmachine stond nog te draaien. Ze voelde zich prettig en veilig, ondanks de toch ietwat vreemde situatie. Toen ze in de huiskamer terugkwam, stond hij voor het raam. De maan was bijna vol en scheen fel. Ze zette de koffiemokken neer en ging naast hem staan. Zo stonden ze even te genieten. “Het zal wel koud zijn”, zei ze, “En je kleren zijn nog niet droog. Misschien kun je beter vannacht hier blijven”

Hij knikte en zweeg, en berustte.

“Zulke nachten zijn angstwekkend mooi, niet hier, maar op zee, op een zeilboot, zonder lawaai, alleen het water, dat tegen de boot klotst en vreemde lichtjes toont. De inktzwarte nachten of de maanverlichte nachten, die zijn nog mooier. Je moet het gezien hebben om het te begrijpen” Zij begreep het niet, ze had nooit op zee gevaren. “Ik heb veel op zee gezeild, altijd helemaal alleen, en voelde me dan vrij, totaal vrij” Het appartement was redelijk geïsoleerd, maar bij het raam was het toch wat kouder. Ze rilde even. “Laten we weer gaan zitten” Ze gingen weer zitten.  “Ik had in mijn jeugd al leren zeilen, en toen ik genoeg geld had, kocht ik een zeewaardige boot. Het was altijd mijn grote droom om vrij te zijn, te gaan en staan waar ik wilde.” “Op een dag nam ik ontslag en ging spijbelen, zoals jij het bij onze eerste ontmoeting noemde..” Ze verbaasde zich erover, dat hij dat nog wist. “Ontslag? Dus je had een baan?” Ze klonk haast ongelovig. “Ik was fysiotherapeut, en had alles gezien: middelbare vrouwen, hunkerend naar aandacht, die ze van hun te hard werkende mannen niet meer kregen, diezelfde mannen, die de sportblessures kregen waar ze, gezien hun leeftijd om vroegen,  tot schrijnende oudjes, die in vergeten hoekjes zaten te wachten op hun dood.” De koffie was alweer bijna koud geworden.

8. Het verhaal van de oude dame

“Op een dag kreeg ik een vrouw van 92 jaar onder behandeling. Ik moest bij haar thuis langs om haar te revalideren na een gebroken heup. Ze woonde zelfstandig in een flat, acht hoog, met een prachtig uitzicht over de stad. Ze was alleen. Ik was gewaarschuwd, dat het lang kon duren voor ze de deur open zou doen, want ze liep met een looprekje, en dat ging vrij traag. Die eerste keer nam ik haar gegevens op en besprak met haar wat voor haar de revalidatie zou gaan inhouden. En wat ze zelf nog wilde bereiken.” Hij dronk zijn koude koffie. Op de achtergrond begon de wasmachine te centrifugeren. Het bonkende geluid verstoorde de rust, en hij wachtte even tot het voorbij was, voordat hij zijn verhaal voortzette: “Haar antwoord was nogal verbijsterend, tenminste voor mij, in die tijd. Ze zei dat ze weer zo wilde kunnen bewegen, dat ze zonder hulp over de reling van haar balkon kon klimmen om eraf te springen.” Aagje keek nu ook verbaasd. “Ze zei dat ze klaar was met het leven, en niets meer had om voor te leven. Ze had een prachtig leven gehad. Ze had haar heup gebroken aan boord van haar zeiljacht! Ze voer op hoge leeftijd nog solo op zee. Ze was absoluut vrij en onafhankelijk geweest. Haar grootste angst was afhankelijk te worden, waardoor ze niet meer zelf in staat zou zijn keuzes te maken in haar leven. Ik ben daar niet verder op ingegaan, omdat ik me ook geen houding wist te geven. Ik was toen net 30 jaar, wat begreep ik nou van een vrouw van 92?” Hij trok zijn schouders op om zijn verhaal kracht bij te zetten. “Helemaal niets! Dus ik begon met haar revalidatie, zoals ik dat met veel patienten deed.  Niet meer en niet minder, en ik vergat algauw haar behandeldoelstelling. Na een paar maanden kon ze weer goed lopen, ook zonder looprek of rollator en kon de revalidatie worden afgesloten.

Een groot succes. We namen afscheid, en ze bedankte me; ze zei letterlijk: “bedankt, dat je me mijn keuzevrijheid weer hebt teruggegeven!” Ik begreep dit niet helemaal, tot ik een week later langs de flat reed en ik een politiewagen en een lijkenwagen zag staan. Ik durfde niet te kijken, maar begreep het eigenlijk al. Ik informeerde later voorzichtig bij haar huisarts en die bevestigde mijn vermoeden: Ze was gesprongen. Er had een keukentrapje op haar balkonnetje gestaan en er had een briefje gelegen.” Hij stopte even, een beetje geëmotioneerd. “Wat stond er op het briefje?” Aagje kon zich niet inhouden. “Eindelijk” antwoordde hij, “Er stond alleen maar: ‘Eindelijk’”

9. Slapen

Ze bracht de lege koffiemokken naar de keuken. Ze haalde de was uit de wasmachine en deed hem in de droger. Toen ze weer in de huiskamer terugkwam lag hij te slapen op de bank. Ze haalde een dekbed en legde die over hem heen. Ze pakte zelf nog een Cointreautje en ging op de grond naast hem zitten. Vanaf die plek kon ze de maan nog zien en een paar sterren. De droger maakte gelukkig niet veel herrie. Een sirene klonk ver weg in de stad. In het hart van de stad is altijd vuur. Zo zat ze een paar uur en 5 borrels lang aan zijn zij. Toen was de droger klaar. Ze haalde zijn kleren eruit en legde die naast hem, zodat hij zelf kon beslissen wat hij wilde, wanneer hij wakker werd. Toen trok ze een pyjama aan en ging ze naar bed, alleen. In bed sliep ze niet gelijk in, moest denken over het verhaal van de oude dame. En over zichzelf. Waarom had ze hem meegenomen? Een zwerver, die ze eigenlijk niet kende? Ze was juist altijd heel voorzichtig met andere mensen, en zeker met vreemden. Of was hij niet echt een vreemde meer? Het voelde gek genoeg zo vertrouwd voor hem te zorgen.

Sinds haar ouders naar het buitenland waren vertrokken had ze maar weinig contact met anderen gehad. Ze had niet veel vriendinnen en maar 3 relaties gehad, die allen stukliepen. En dan haalde ze nu ineens zomaar iemand in haar huis? En zeker niet, omdat ze verliefd was of zoiets. Ze begreep zichzelf niet…

10.  zondagochtend

Na een rustige nacht werd ze wakker door de wc, en daarna geluiden uit de keuken. Ze was verbaasd, want ze had eigenlijk verwacht, dat hij weg zou zijn. Ze ging naar de keuken en zag hem bezig met koffie. Hij had zich nog niet aangekleed, zat in haar badjas. “Oh, goeiemorgen!” zei hij, het klonk opgewekt, “Ook koffie?” Hij schonk al in, voordat ze antwoord had kunnen geven. “Graag” Hij had alles kunnen vinden en was doende met brood en eieren. Ze keek verbaasd toe. “Je bent al vroeg actief?”, zei ze. “Ja, sorry, ik hoop, dat je het niet vervelend vindt, dat ik een ontbijtje voor je aan het maken ben? Dat is wel het minste, wat ik terug kan doen.” Hij pakte een dienblad zette koffie en ontbijt erop, en liep naar de kamer. Ze liep er achteraan, een beetje beduusd. “Ik was eigenlijk bang, dat je weg zou zijn” zei ze, zorgvuldig haar woorden kiezend. Hij zette het blad neer, en keek haar aan. “Bang?” Ze had het bewust zo gezegd. “Volgens mij was je verhaal nog niet helemaal af” Nu glimlachte hij even. “Het verhaal van de oude dame vrijwel, maar dat is maar een deel van mijn hele verhaal, dat klopt.”

Ze gingen zitten, op de handdoeken, die er nog lagen van de vorige avond. Ze dronken hun koffie, aten hun brood met ei, jam en pindakaas, en genoten van het moment.

11. Gerrie

“In dezelfde periode, dat de oude dame via haar keukentrapje naar de hemel was geklommen, kwam Gerrie weer in mijn leven. Gerrie was een iets schele roodharige vrouw met een prachtig lichaam. Ze was al op de middelbare school stapelverliefd op me. Met de nadruk op stapel. Ze deed alles voor me, zonder vragen, zonder tegenspraak. Het was benauwend. Ik was haar al ontvlucht, toen ik ging studeren. Ze was bij mijn ouderlijk huis langsgegaan om mijn adres te vragen. Mijn moeder had haar mij uit haar hoofd gekletst.” Aagje fronste: “Dat iemand alles voor je wil doen benauwend? Ik zou denken, dat veel mannen dat juist heerlijk zouden vinden. Veel vrouwen ook trouwens..” “In het begin was het ook best leuk. Ze was echt stapelgek, ik moest gewoon op mijn woorden passen. Wanneer ik zei, dat ik een uittreksel over een bepaald boek moest maken, dan lag dat de volgende dag keurig getypt in mijn brievenbus. Dat was nog onschuldig. Het werd echter steeds gekker. Wanneer ik bij wijze van spreken, zou hebben gezegd, dat ze zich midden op het schoolplein moest uitkleden, zou ze dat gewoon hebben gedaan.   Ze schaamde zich ook nergens voor, want ze had de schaamte, en dus haar menswaardigheid, aan mij overgedragen” “Nu snap ik je even niet” Hij dacht even na. “Zij voelde zich als een soort slavin voor mij. Ik moest bepalen waar haar grenzen lagen. Ze had geen eigen persoonlijkheid meer. Ik was verantwoordelijk.” Aagje begon het te snappen. “Ik weet niet wat mijn moeder precies gezegd had, maar gelukkig verdween ze uit mijn leven” Hij wachtte even, stond op en ging met de mokken naar de keuken om koffie te halen. Zij wachtte in de kamer, vond het wel leuk, dat hij zelf de weg in haar huis zo goed gevonden had.

Terug met de koffie vervolgde hij zijn verhaal:

“Tot die dag. Juist in de periode, dat ik kwetsbaar was, was ze er opeens weer. We zagen elkaar op een perron, toen ik met de trein naar een nascholing in Amsterdam ging. Ze zag me direct, ik kon haar niet ontlopen. En ik verzette me niet, toen ze me kuste.”  Hij nam een slok koffie. “Ik was niet meer vrij. Ze week niet meer van mijn zijde. Door haar onderdanigheid manipuleerde ze me.” Hij zuchtte, “Het was een duivels spel. Door volledig afhankelijk van mij te worden, dwong ze me alle verantwoordelijkheid te nemen. Ik was gevangen en het ergste was, dat ik soms niet zeker wist, of ik echt van haar hield, maar dat niet durfde te zeggen, bang voor haar reactie…”

Er viel een stilte. Inmiddels scheen de zon, en buiten straalde de zondag uitnodigend.

“Ze had inmiddels een goede baan, en we verdienden samen genoeg geld. Toen kwam de boot van de oude dame te koop. Ik zei dat ik die boot wilde om op zee te gaan zeilen, net als de oude dame. Gerrie vond het natuurlijk prima, zoals ze alles, wat ik wilde prima vond en ze ging nog harder werken om voor mij het prachtige zeilschip te kunnen kopen. Uiteindelijk verkocht ik mijn huis en trok bij haar in. Zo kon ik mijn droom zelf verwezenlijken en was die boot echt van mij.” Een roodborstje zat op de reling van het balkon. “Met dat schip voelde ik me weer even zo vrij als een vogeltje” Het roodborstje vloog weg.

12. De schipbreuk

“Ik nam ontslag en ik zeilde alleen weg. Zij bleef thuis en werkte hard. Ik had haar verteld, dat ik het schip naar de Azoren wilde varen, en dat zij daar dan naar toe moest komen voor een prachtige tijd samen. Dat was ik eerst ook van plan, maar eenmaal vrij van haar duurde de reis steeds langer. Door haar geld kon ik ook rustig mijn tijd nemen. Ik dwaalde af naar de Middellandse zee, Griekenland, Turkije. Totaal niet de kant van de Azoren op. En ik voelde me helemaal niet schuldig, dat ik eigenlijk vakantie vierde op haar kosten. Zij wilde toch alles voor me doen?” Hij zweeg een paar minuten, alsof hij twijfelde over het vervolg van het verhaal.

Hij keek omlaag, “Het ging jaren goed. Ik verdiende later zelf ook wat bij door toeristen mee te nemen voor een zeiltochtje. Ik verdiende er niet veel mee, maar kon mezelf net bedruipen. Ik voelde me vrij en leefde als een god.” “Maar”, onderbrak Aagje hem, “Nam je nog wel eens contact met haar op?” “Natuurlijk belde ik soms, maar dat werd steeds minder. Ze probeerde me steeds over te halen om naar huis te komen, omdat ze me miste.” Hij zuchtte. “Op een gegeven dag stond ze ineens voor me. Het was in de haven van Kos, waar ik toen regelmatig kwam. Ze had een kind op haar arm. Dat bleek mijn zoon te zijn. Ze had zijn bestaan steeds voor me verzwegen, omdat ze wist, dat ik zou beseffen, dat dat het einde van mijn vrijheid zou betekenen.”

Na een paar fijne dagen samen gingen ze weer met het vliegtuig naar huis. Ik besloot uiteindelijk toch om naar huis te varen en zo mijn vrijheid op te geven. Voor mijn zoon. In de Golf van Biskaje ging het fout. Ondanks het slechte weer voer ik door. Ik wilde mezelf niet langer voor de gek houden en was bovendien depressief door het vooruitzicht op een huisje/boompje/kindje toekomst. Het schip verging en strandde uiteindelijk op het strand bij Biarritz. Ze vonden mij aan boord, meer dood dan levend.” Hij keek weer naar buiten; het roodborstje was terug.

13. terug naar huis

“Ik was in coma en het herstel duurde maanden. Ze wisten niet eens wie ik was. Toen ik bij kennis kwam,  was het wrak van mijn schip al geborgen en de opbrengst van het wrak gebruikt als betaling voor de berger. Ik belde naar Gerrie, maar kreeg geen gehoor.  Met niet veel meer dan ik nu aanheb probeerde ik weer thuis te komen. Gelukkig kreeg ik een lift van een zakenman uit Gouda, die vaak in Biarritz kwam.

14. thuis

Eenmaal thuis trof ik niemand.

Van de buren hoorde ik, dat ze na haar vakantie in Griekenland was gaan drinken en uiteindelijk was ontslagen. Onze zoon werd al snel bij haar moeder ondergebracht; ze wilde niets meer van hem weten.  En ze begon zichzelf te beschadigen. Met messen sneed ze zichzelf en met aanstekers brandde ze zichzelf. Allemaal om zichzelf te straffen.  Uiteindelijk had ze zichzelf zo toegetakeld, dat ze moest worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis.”

Hij slikte, “Ik voelde me schuldig en ging haar zoeken. Gelukkig zijn er niet veel psychiatrische ziekenhuizen. Ik had haar snel gevonden.  Ze zag er vreselijk uit, ik herkende haar haast niet. Ze was vel over been. Ze sliep en ik liet haar slapen.  Volgens de verpleger wilde ze niet meer eten, en weigerde alle hulp.” Dries had nu een tranen in zijn ogen.  “De verpleger was duidelijk; er was weinig hoop voor haar. Een week later belde hij mij, dat ze niet lang meer had. Ik was precies op tijd om haar in mijn armen te nemen.”  Nu bleef hij wat langere tijd stil, had moeite met zijn gevoelens. Vooral schuld. “Toen ze even wakker werd en mij zag, zei ze: ‘Eindelijk.’ en nog eens, nu met een glimlach: ‘Eindelijk’.  Een uur later was ze dood.”

Er viel een stilte. Daarna kwam de bijna wanhopige vraag: “Was haar dood ook een vrijwillige keuze, net als bij de oude dame? Dat denk ik niet. Ik ben eigenlijk schuldig aan de dood van beiden, maar op een heel verschillende wijze” Hij slikt even. “Ik had moeten bellen, dat ik naar huis kwam.”

15. De magie voorbij

“Ik was helemaal van de kaart, voelde me vooral schuldig. Waar ik bang voor was, was gebeurd: Ze had gedacht, dat ik verdwenen was, dat ik in plaats van voor haar en ons kind toch voor mijn vrijheid had gekozen. Ze was verteerd door verdriet en boosheid. Ze wilde zelfs haar kind niet meer, omdat het ook van mij was. Haar ouders hadden  hem in huis genomen. Ik wilde hem zien en zelfs voor hem zorgen, maar haar ouders waren boos en verbitterd en ik mocht hem niet meer zien. Daar ik nooit de kans heb gehad hem als mijn zoon te erkennen, mochten ze hem houden.

De hele geschiedenis had me tot gevangene gemaakt. Ik moest het huis verlaten. Op een dag waren de sloten veranderd en stond het te koop. Ik ging rondzwerven. Het kon me eigenlijk niet schelen, want haar huis deed me toch teveel aan haar  denken. En dan vooral aan haar dood. Het was immers allemaal mijn schuld?

Er was natuurlijk geen testament ten gunste van mij. Logischerwijze ging alles, en dat was niet zoveel meer, naar mijn zoon. Ik had niets meer, en probeerde weer aan het werk te komen. Dat lukte niet, want ik zag er niet uit. Bovendien was mijn bevoegdheid als fysiotherapeut verlopen. Ik kon niet meer voor mezelf zorgen, net als de eenden in het park had ik mezelf afhankelijk laten maken.”

Hij pakte zijn kleren, deed de badjas uit en begon zich aan te kleden. De magie was voorbij. Ook zij ging zich in haar slaapkamer aankleden. Ze deed wat overgebleven brood, een mes en jam in zijn plastic tasje. Daar vertrok hij, gewoon, zomaar.

Zij ging hem later nog zoeken in het park. Ze had een dikke trui voor hem gekocht en een lange onderbroek. Hij was onvindbaar. Ze legde de kleding in een dichtgeplakte plastic tas in de schuilkuil, of wat daarvan over was. Een week later was het tasje weg. Ze hoopte, dat hij de vinder was, maar dat bleef onzeker.

16. de lente

De eerste mooie lentedag was overweldigend mooi. Vogels maakten herrie, de zon scheen. Ze werd wakker met een glimlach, ging uitgebreid onder de douche schoor haar benen tot haar navel en voelde zich mooi. Ze ging naar het park, liep te fluiten. Ze ging op het bankje zitten. Op de achtergrond kwam een langzame oude dame met een rollator. Bij de vijver stopte ze en haalde een zakje uit de tas, die aan de rollator hing. De eenden kwamen al aangevlogen.

17. Ouwe vrijster

Er gingen jaren voorbij. Aagje studeerde af en kreeg een leuke baan. Ze bleef wonen in het appartement van haar ouders, die permanent in Frankrijk bleven. Ze had af en toe een vriendje, maar dat duurde nooit lang. Zou ze ooit  iemand tegenkomen voor wie ze haar vrijheid wilde offeren of iemand met wie ze samen vrij kon zijn?

Dries verdween uit haar zicht. Ze dacht nog wel eens aan hem. Zijn streven naar vrijheid, en hoe dat schipbreuk had geleden. Was hij daar zelf schuldig aan geweest, of was het eigenlijk de schuld van Gerrie? Was hij een ploert of was hij een slachtoffer?

Deze gedachten bleven in haar voortleven. Ze was erg bang geworden afhankelijk te worden en kon zich daardoor niet meer aan een ander binden. Was zij ook een slachtoffer van Gerrie geworden?

Ze berustte erin dat ze een ouwe vrijster zou worden, en vond het eigenlijk wel een leuk woord: Vrij-ster.

18. ‘Ik spijbel’

Wanneer ze een beetje verdrietig was, zich eenzaam voelde en het weer het toeliet, ging ze altijd naar het bankje in het park. Daar kon ze uren zitten en kijken naar oude vrouwtjes, die eendjes aan het voeren waren of ze las een boek.

Op één van die dagen, het was een lentedag,  kwam er een jongeman naast haar zitten. Hij had een soort schooltas bij zich.  “Ik spijbel”, zei hij. Ze keek opzij. Hij zat op de plek waar zij had gezeten bij haar eerste ontmoeting met de parkman. Ze zat zelf op de plek waar Dries had gezeten. Generaties verschuiven op een bankje in het park. De knul ging lekker achterover zitten, zich koesterend in het bleke voorjaarszonnetje.  Hij zag er netjes uit, was modern en verzorgd gekleed. Hij had iets vriendelijks. “Vroeger spijbelde ik ook wel eens”, probeerde ze een gesprek. Hij keek haar aan. “Vroeger? Dat is toch nog niet zo lang geleden?” Ze moest lachen. “Charmeur” zei ze, maar gloeide wel een beetje door het compliment. De knul glimlachte ook en pakte een broodtrommeltje uit zijn tas. “Altijd hetzelfde”, zei hij, “iedere schooldag maak ik twee boterhammen met pindakaas en twee met jam.” Ze moest lachen vanwege de déjà vu. Hij keek even opzij, maar reageerde niet en nam een hap. Het zonnetje verwarmde hen.

Nadat hij zijn boterham op had ging hij achterover zitten met zijn handen gevouwen achter zijn hoofd. “Vroeger toen ik klein was, kwam ik hier wel eens met mijn oma.” Hij wees. “Dan gingen we dáár de eendjes voeren.” Zij zweeg en vroeg zich af of hij dat jongetje met die oma was, al die jaren gelden, toen de parkman de eenden verjoeg? “Op een dag werden we lastig gevallen door een man, die met zijn armen zwaaiend naakt in de vijver rondliep en de eenden verjoeg.”  Hij was het!  “Daarna zijn we nooit meer hiernaartoe gegaan.” Hij pakte een tweede boterham. Net voor hij een hap nam zei hij:” Mijn oma is onlangs overleden.” Daarna viel een lange stilte. Hij at zijn brood en zij dacht na.

 

 

 

testikels

Er zijn van die momenten, dat je iets zegt, en op het moment dat de minder goed doordachte woorden je mond uitglippen, besef je al, dat er iets vreselijk fout aan het gaan is.

Annemiek werkte als verpleegkundige in opleiding in het toenmalig ziekenhuis ‘ de Lichtenberg’ in Amersfoort op de kraamafdeling. Die dag assisteerde ze een gynaecoloog bij de controle van een eerder die dag geboren baby, een jongetje. De arts vroeg mijn zus even de moeder van het ventje te roepen om bij deze de mogelijk te ontstane ongerustheid weg te nemen over de testikels van het ventje. Deze waren behoorlijk gezwollen, iets dat wel eens gebeurt bij een wat lastige bevalling en van voorbijgaande aard is. “We laten de moeder gewoon even kijken en voelen, en vertellen haar dat ze er niet ongerust over hoeft te zijn,” zei de dokter. Annemieke knikte en liep naar de zaal (toen lagen er nog wel 6 tot 8 patienten op een zaal) en riep, staande in de deur: “Mevrouw van Dam, de dokter vraagt of u even aan zijn ballen komt voelen!”

Zoals gezegd, terwijl ze het zei, wist ze, dat het mis was. Op de achtergrond stond de medisch specialist, die het, evenals zowat de hele afdeling trouwens, goed had kunnen horen, een behoorlijk rode kop te krijgen.

Het is die dag op die afdeling niet meer helemaal goed gekomen. Iedereen had de slappe lach, en mijn zus en de dokter een rood hoofd.

Muizensprookje

Het muisje keek om zich heen. Hij was verdwaald. Hij was leuk aan het rennen met zijn donkere vriendje tot ze buiten adem waren. Het vriendje achter hem stond net zo hard te hijgen als hij. Ze stonden midden in een open korenveld, en het was al laat. Van mama-muis mocht hij niet het open veld in, en zeker niet zo laat. Er waren veel gevaren in de open vlakte, dat had ze hem verteld.

“Het is jouw schuld!” piepte het muisje tegen het donkere vriendje. Ze sloegen naar elkaar, maar raakten elkaar niet. Hij zette de achtervolging in, maar kon het vriendje net niet te pakken krijgen. Ze renden tot ze weer buiten adem waren. Toen zag hij de rand van het bos; hij herkende het; hij was weer vlakbij huis! hij rende verder en merkte pas tussen de bomen, dat zijn vriendje ontsnapt was.

Zijn moeder was dolblij hem weer te zien. Ze was erg bezorgd geweest. Hij vertelde hijgend en met horten en stoten zijn avontuur.

Zijn moeder, een wijze vrouw, zei: “Laat je nooit opjagen door je duistere vriend, verjaag hem als was hij je vijand, en je zult veilig thuiskomen”

Hij snapte er geen moer van…..

Ype

opnieuw

Opnieuw beginnen klinkt simpel.

Gisteren vond ik mezelf vadsig hangend in mijn krakende stoel, te lui om op te staan om voor mezelf koffie in te schenken. Ik begon een hekel aan mezelf te krijgen. Natuurlijk wist ik al geruime tijd, dat er iets moest veranderen, maar hoe te beginnen? Nou, zo dus. Ik maak er een verhaal van.

Mijn gebrek aan beweging en teveel aan gewicht beginnen me te beperken. Iedere ochtend is het aankrijgen van mijn rechter sok al een hele toer. Dat heeft te maken met de bewegingsbeperking in mijn rechter heup en de weke delen-remming door mijn buik. Met tennissen ben ik al een tijdje gestopt, en ergens naartoe gaan, waar ik mogelijk niet dichtbij kan parkeren, en dus een stuk moet lopen, doe ik niet meer. Ik heb dus echt een beperking. Eerst leek ik er weinig last van te hebben, maar het begint me toch te hinderen.

Er moet dus iets veranderen.  Nou heb ik dat wel vaker gedacht en zelfs gedaan, maar dan was er geen echte noodzaak. Ik had nooit eerder beperkingen.

Genoeg gezeurd, aan de slag. Vandaag ben ik begonnen met het niet meer eten van pepermuntjes. En met het schrijven van dit ‘dagboek’. Voorts ben ik gestopt met mijn lunch, op het moment, dat ik geen honger meer voelde. Met mijn wederhelft heb ik het te volgen eetpatroon besproken. Zij dreigde gisteren nog bretellen voor me te kopen….

De kop is eraf.

Ype

 

 

Dansles

Tim en ik volgen dansles. We zijn nu voor de vierde keer bezig om zilverster te doen en het gaat geweldig: eindelijk zijn we niet de kneusjes van de klas.

We vallen daarentegen wel een beetje op.

De meeste dansparen zien er zo normaal uit. De dames dragen jurkjes of rokken en hakjes, de heren een spijkerbroek met een overhemd of net t-shirt. De meeste mensen hebben een normaal postuur, de dames dragen hun haar lang, de heren kort.

Ik ben altijd de dikste van de klas. Ik draag wat ik die dag aanheb (vaak een iets te strakke spijkerbroek en gek t-shirt), en platte sandalen of bergschoenen. Ik hèb wel echte dansschoenen met een hak en een gladde zool, maar ik ben bang dat ik mijn enkel zal verzwikken op die dingen.

Tim draagt een veel te grote kreukelige camo-broek, maar dan wel met glimmende bruine veterschoenen eronder. Hij is meestal de enige man met gezichtsbeharing en altijd de enige man met een paardenstaart.

En we dollen met elkaar, dansen veel te dicht bij elkaar, ik kietel hem, hij knijpt in mijn vetrolletjes, en we dansen al meer dan twee jaar zonder ook maar één certificaat. Tim is te zenuwachtig en ik te vergeetachtig om een test door te komen. We proberen het dus niet eens.

Maar we hebben wel de grootste lol. Grote, gek uitziende, slecht geklede, snel afgeleide lol.

snel

Ondertussen constateer ik, dat het woordje ‘snel’ het meest gebruikte woord in reclames is….:

‘ kom snel naar crematorium ‘de verzengende vlammen’, want nu bij 2 crematies 1 huisdier gratis….
dus opa en oma samen? dan fikkie voor niks!’

Ype

Mishandoline

Ik heb twee ukuleles, die ik redelijk goed kan bespelen. Ik heb lessen gevolgd, ik kan meezingen terwijl ik speel (moeilijker dan je zou denken), er komt muziek uit.

En ik heb een mandoline.

De mandoline bespeel ik niet, ik worstel ermee. Ik probeer haar te dwingen te zingen en dat weigert ze.

In de handen van mijn muziekleraar, die OOK nog maar één keer eerder een mandoline had vastgehouden, klonk ze geweldig. Wat heeft hij dat ik niet heb? Behalve jarenlange ervaring met snaarinstrumenten, lessen in muziektheorie en een cum laude bul van het conservatorium?

Niet eerlijk.

Ondertussen plaagt mijn familie me met ‘Jo met de banjo’, vindt mijn man dat ik me op de ukulele moet concentreren zodat ik daar echt gevorderd in raak, en speel ik ‘Twinkel twinkel kleine ster’ terwijl ik droom van rockmuziek. Een mandoline kan heel cool klinken… alleen voorlopig nog niet bij mij, vrees ik.

Maartje

(PS: dit vind ik dus coole muziek met een mandoline erin.)