Telefoongesprek: “Goedemorgen, loodgietersbedrijf ‘de fitte fitter’, u spreekt met Chantal, kan ik voor u doen?” “Met dokter de Vries, er is een waterleiding lek. Het water stroomt met een enorme straal mijn kelder in! Kunt u iemand sturen?” “Wat is uw BSN nummer?” “Wat heeft dat er nou mee te maken! Mijn kelder loopt vol, mijn adres is Hoofdstraat 2.” “Heeft u een ogenblikje ik overleg even met de dienstdoende specialist…” het blijft even stil. “Wanneer u de hoofdkraan dichtdraait is er geen sprake van een levensbedreigende situatie. De loodgieter komt volgende week woensdag wel even bij u langs voor een intake-gesprek”
Dit is natuurlijk een flauwe grap. Toch moesten wij er even aan denken, toen een huisarts naar onze praktijk belde, daar hij zijn enkel verzwikt had. “Jongens, kan ik even langskomen, ik heb bij het tennissen mijn enkel verzwikt en kan bijna niet meer op die voet staan.” “Nou, Jos, volgens de huisartsen-standaard moet je er dan ijs op leggen, 2 paracetamolletjes nemen en 3 dagen met je voet omhoog gaan zitten. “Jongens, doe niet zo flauw, ik kan mijn patiënten toch niet in de steek laten?”
We hebben hem geholpen, en hij heeft geen dag hoeven verzuimen. Maar toch moesten we even aan die loodgieter denken; kan die zijn klanten wel in de steek laten?
Auteursarchief: Ype
Badrat
De bovenburen, waarmee ik de voordeur deelde, hadden 2 katten; Redbone en Blackmail. Inderdaad een rode en een zwarte. Blackmail was te lui om uit zijn ogen te kijken, Redbone daarentegen was een echte jager. Hij had ergens in mijn keuken (de deur naar de bovenburen stond altijd open) een gat gevonden waardoor hij in de kruipkelder onder het huis kon komen. En onder het huis zaten muizen en ratten.
Op een dag zat ik te studeren toen ik een luide gil van boven hoorde. Buurvrouw Bep was in nood! Ik rende de trap op en vond een druipende Bep met een handdoek om zich heen die wees op een zinken teil, waar ze net nog in had zitten badderen. (Jan en Bep hadden toen nog geen douche) In de tobbe dreef een dooie rat. Redbone zat tevreden zijn voorpootjes af te likken. Hij had de rat gevangen en keurig bij het vrouwtje in het bad gedeponeerd. Waarom dat malle mens daar nou zo om moest gillen begreep de jager totaal niet. Ik heb de rat uit het bad gehaald en elders weggegooid.
Toen de buurvrouw weer was aangekleed heb ik haar maar getroost met een bakkie koffie. Toen de buurman die middag thuis kwam van zijn werk heeft hij het gat naar de kruipkelder toch maar dichtgemaakt.
Barbecue
Een barbecue kan veel barrières doen verdwijnen. Zo’n veertig jaar geleden, ik kende Elly toen net, woonden we in een benedenhuisje in Rotterdam. Met onze bovenburen, Jan en Bep, deelden we de voordeur. Het waren jonge mensen, net getrouwd.
Die zomer was het vaak feest. Dan werd op zaterdagmiddag opeens beslist, dat we wel eens konden gaan barbecuen. Samen met Rita (de zus van Jan) en Kees, de buren. Iedereen vloog dan de deur uit om de benodigdheden te gaan halen. De een ging stokbrood halen, de ander scoorde vlees, weer een ander haalde wat drank. Niemand zeurde over geld.
Die zaterdag ging het weer op deze wijze. Jan fabriekte van wat bakstenen een barbecue, er werd een rooster op gevonden en het feest begon. Tot de houtskool op was. Er werd koortsachtig overlegd en een oplossing gevonden.
Het feest ging door tot het tuinhek tot de grond toe was opgestookt. Dat was tegen de volgende ochtend. We waren het er allemaal over eens, dat het ook veel gemakkelijker was. Dan hoefden we niet over zo’n stom hek te klimmen om bij elkaar op de koffie te gaan. Weer een barrière in rook opgegaan!
Windbuks-hooligan
In mijn studententijd woonde ik enige jaren in de Vliegerstraat in Rotterdam. In een zogenaamd huisje onder de huurwaarde; een mooie benaming voor een afbraakpand. De vloer was zo scheef, dat ik ’s ochtends vanuit mijn slaapkamer de huiskamer in tuimelde. Ik woonde beneden, boven me woonden Jan en Bep. Ontzettend lieve mensen. En naast me woonden Rita en Kees. Het was een razend gezellige tijd, waarin ik ook Elly leerde kennen. Ik krijg nog kramp in mijn kaken als ik denk aan de avonden plezier, die we daar hadden.
Tegenover ons woonde Barendje, een Feijenoord-hooligan. Deze was bekend in heel Rotterdam, want overal stond met spuitbussen op muren, bruggen en electriciteitshuisjes gespoten : BAREND EN TINUS VAK S. Toen heel Rotterdam vol stond ging Barend zich vervelen. En dan vond hij het leuk om met zijn windbuks op de voordeur van Kees en Rita te schieten. Waarom? Geen idee, wellicht leek die deur het meest op een Ajacied. Wanneer Kees, Rita of hun zoontje Dion dan naar buiten wilde, staken ze een witte vlag op een stok door de brievenbus. En dan hield het schieten op, want Barend had niets tegen de overburen.
Kees vond het toch wel een tikkie vervelend en nam contact op met de wijkagent. Deze kwam op de koffie en vertelde, dat het probleem opgelost zou worden. Er waren in diezelfde periode wat auto’s van agenten van bureau Marconiplein zorgvuldig ontvet en van de verf ontdaan, daar dan de verf van de spuitbussen beter zou houden. Met zoutzuur.
In die tijd, het is zo’n 40 jaar geleden, wisten de wijkagenten nog van geen wijken. Dus na hun dienst gingen ze gezellig wat drinken in het clubhuis, waar Barend en Tinus regelmatig zaten. Voor een goed gesprek.
De daarop volgende weken heeft Barend niet meer op de voordeur van Rita en Kees geschoten. Dat ging ook lastig, want zijn oog zat dicht en zijn arm in het gips.
de BH
De directeur was een inspirerende man met vriendelijke ogen en een voortreffelijk zakelijk instinct, maar hij had een nogal slechte koude start. Iedere morgen duurde het even voor hij echt bij de les was en een beetje gewoon ging functioneren. Zo kon het gebeuren, dat hij naar een collega, die op een ochtend met pech langs de weg stond, als enige steun slechts vriendelijk zwaaide en gewoon doorreed. Vooral de maandagmorgen was moeizaam.
Op één van die lastige ochtenden reed hij weer volledig op de automatische piloot naar zijn werk. Eerst ging hij nog even langs het postkantoor, waar hij in de rij voor het loket nog een beetje stond uit te slapen. Uiteindelijk bereikte hij min of meer slaapwandelend zijn kantoor. Hij groette zijn secretaresse, die hem voorzichtig probeerde enigszins wakker te krijgen: “Eh, meneer, eh, misschien heeft uw vrouw haar ondersteuning vandaag nog nodig?” Hij fronste zijn wenkbrauwen, “Wat bazel jij nou?” De secretaresse wees naar iets achter hem. Hij keek om, maar zag eerst niets. Toen pakte de secretaresse heel voorzichtig, tussen 2 vingers de BH die als een staart achter uit zijn broek hing. Hij had vanmorgen in een staat van opperste bewustzijnsvernauwing zijn broek omhoog gehesen, zonder te bemerken, dat daar de lingerie van zijn echtgenote overheen hing.
De volgende dag had hij toch het idee, dat men bij het postkantoor ook wat lacherig tegen hem deed…
Kapoentje
De rust van ons kopje koffie werd luid verstoord door het geknetter van een brommer. “Daar zul je Kapoentje hebben”, zei de invalide vrouw, waar ik net aan de koffie zat. “Kapoentje?” vroeg ik. “Nou kijk maar”, zei mijn gastvrouw met een grijns. Achter de heg kwam een helmpje voorbij. Een rood helmpje met zwarte stippen, net een lieveheersbeestje. Ik moest lachen, want onder het hoofddeksel liep een kleine jonge vrouw met een lachend gezicht. Het was de hulp in de huishouding. Ze kwam binnen en zette haar helm af. “Moet ik nou de stippen tellen om te zien hoe oud je bent?”, zei ik plagerig. “Nee, hoor”, was het antwoord, “Dat kun je ook gewoon vragen, en ik ben 19” Ze nam ook een bak koffie en ging daarna gelijk aan de slag. Ze wist precies wat er gedaan moest worden. Mijn gastvrouw was vol lof over haar: “Kapoen heet eigenlijk Elly en is zo’n leuke meid, en je hoeft haar niets te vertellen, ze weet gewoon, wat ze moet doen.” Ondertussen werkte de hulp gewoon verder en ging stofzuigend de trap op. “Kapoen heeft het thuis niet altijd gemakkelijk gehad, moest al van jongs af aan het huishouden doen. Haar moeder is ziek en haar vader alcoholist” Ik kreeg steeds meer bewondering voor die kleine, en ook wat kriebels in mijn buik. Maar helaas had ze al een relatie.
Een paar maanden later hoorde ik, dat die relatie over was, en schaamde me, dat ik er blij van werd. Ze was vrij! Niet lang daarna, op 1 maart 1979, regende het pijpestelen toen ik weer bij de invalide vrouw op de koffie zat. Kapoen keek naar buiten en wilde haar helm opzetten. “Zal ik je thuis brengen?” vroeg ik hoopvol. Dat wilde ze wel. Ik bracht haar thuis en ze bood me koffie aan. Vanaf dat moment ben ik niet meer alleen geweest. Kapoen is nu mijn lieveheersbeestje.
de Aids heldin
Soms kom je bewonderenswaardige mensen tegen. In Rotterdam kreeg ik een Aids patiente onder behandeling. Ze was er slecht aan toe. Mager, meer uitgemergeld, en de levensverwachting werd in dagen uitgedrukt. Ze woonde in een klein huisje met haar dochter van 15. Dit meisje was een grote vrouw. Ze regelde alles, verzorgde haar moeder, coordineerde de zorg voor de patient en bleef vrolijk en gezellig. Ongelofelijk wat een energie! Telkens wanneer ik bij dat adres vandaan kwam had ik energie voor drie, het werkte gewoon aanstekelijk. Later hoorde ik, dat haar vader al aan Aids was overleden. Hij had een bloedtransfusie gehad vanwege zijn bloederziekte (hemofilie). Het donorbloed bleek besmet met HIV. Daarna had hij het doorgegeven aan zijn vrouw, onwetend van zijn noodlot. En in dit drama speelde een meisje van 15 jaar een heldenrol. Haar moeder overleed een paar weken later. Alle instanties gingen ermee akkoord, dat onze heldin gewoon zelfstandig in het kleine huisje mocht blijven wonen en niet naar pleegouders of een kinderhuis hoefde. En dat verdiende deze kanjer!
1 april, bushalte
“Wie het eerste bij de bushalte is!” Ik zette het op een lopen, maar de bus won en reed voor mijn neus weg. Bij de bushalte zat een bejaarde dame. Ik hijgde even uit en vroeg haar vervolgens: “Moest u niet met de bus mee?” Ze keek me glazig aan en knikte. “Maar waarom bent u dan niet ingestapt?” Weer die blik. “Ik mag van mijn moeder niet bij vreemde mannen in de auto stappen.” Dat had ik weer. Deze mevrouw was dus letterlijk en figuurlijk de weg kwijt. Vertwijfeld keek ik rond naar hulp. Niemand te zien. Er moest hier in de buurt toch ergens een verzorgingsinstelling of zo zijn, waar deze mevrouw vandaan kwam? “Waar woont u?” “Wat een rare vraag, jongeman! Thuis, natuurlijk!” Ik zuchtte. “En waar is uw thuis?” “Bij mijn moeder” Dit gesprek ging nergens toe leiden. Wat moest ik nu in hemelsnaam doen? Ik kon haar toch niet aan haar lot overlaten? Zou ik de politie bellen?
Er stopte een auto met een paar oudere dames erin, en de ‘bushalte’-dame stond op. Ze pakte achter zich een tennistas, die ik niet gezien had en stapte gierend van het lachen bij haar vriendinnen in. Ik stond waarschijnlijk niet bijster slim te kijken. Ze keek lachend om en zei: “Heb je al op je mobieltje gekeken welke dag het vandaag is?”
piemelmeter
Elly werkte in het kadowinkeltje Bibelot in Oud-Beijerland, bekend om de leuke kado-ideeen. Op een dag zag ze een paar opgeschoten jongens wat lacherig in de winkel bij het schap met de gadgets voor vrijgezellenfeesten en dergelijke staan. En de jongens verlieten lachend de zaak, waarbij opviel, dat één van hen een ietwat rood hoofd had. El ging voor de zekerheid toch maar eens kijken. De doos waar de zogenaamde ‘piemelmeter’, waarmee de lengte van een manlijk geslacht gemeten kon worden, in had gezeten, was leeg. Dus onze kordate winkelmedewerkster ging achter de vermoedelijke dieven aan. De rode kop bleek inderdaad de dader. Hij leverde, nu met een nog roder hoofd, het meetgereedschap bij Elly in, terwijl hij door zijn maten werd uitgelachen. Elly vond dit een voldoende straf dus liet het daarbij. Jammer, want wanneer ze aangifte had gedaan, zou dat voor de verbaliserende agent een geweldige opgave zijn geweest: ‘Op heterdaad betrapt bij het ontvreemden van een zogenaamde piemelmeter’ Dit verbaal had gegarandeerd het mededelingenbord op het politiebureau gehaald!
Zondagsrijders
“Peer vatte Grada bij kruis en kraag en wierp haar in de Maas!” Mevrouw de Jong zat met haar vinger de letters in haar boek te volgen. Na het lezen van deze zin barstte ze in lachen uit. Iedere keer weer. Iedere keer, wanneer ik mijn oma bezocht, die bij mevrouw de Jong op de kamer lag in het verpleeghuis, las het oude fragiele dametje deze zin en bulderde, voor zover fragiele dametjes kunnen bulderen, van het lachen. Twee jaar lang bleef ze bij die zin steken. En wanneer ze niet las zat ze te breien. Een sok. En wanneer ze ’s middags ging slapen haalde de activiteitenbegeleidster de sok weer een stukje uit, zodat ze weer opnieuw kon beginnen. Ze merkte dat toch niet en er was een gebrek aan losse wol. Mevrouw de Jong ging niet echt vooruit in het verpleeghuis.
Op een zondagmorgen was ze er niet. Mijn vader en ik gingen vaak bij oma op bezoek en mevrouw de Jong was er altijd en kreeg nooit bezoek. Ze was daarom altijd blij, wanneer we haar ook wat aandacht gaven. Maar vanaf die zondag was ze iedere week ’s ochtends weg. Ik was toch nieuwsgierig waarom dat was en vroeg opheldering bij zuster van Harte (zo heette ze echt!). Deze legde uit, dat er een nieuwe dominee in de zwarte-kousen-kerk was beroepen en deze wilde meer mensen in zijn diensten zien. Dus had hij zijn gemeente verzocht de oude gemeenteleden in bejaarden- en verpleeghuizen op te zoeken en deze te helpen naar de dienst te komen. En wanneer deze mensen slecht ter been waren, hoefden dezen niet, zoals alle andere schapen van zijn kudde, te voet naar het huis des Heeren te komen. Dan mochten ze met de auto. Maar de vrijwilligers, die ze gingen halen dus ook. Het plan was uiterst succesvol; uit alle bejaardensilo’s uit de wijde omgeving werden mensen geplukt om te dienen als excuus om niet twee keer per zondag een roteind te hoeven lopen naar het gebedshuis. En of die oudjes nou dement waren of niet, dat maakte niets uit; onze lieve Heer maakt geen onderscheid. En of die oudjes nou wilden of niet was ook geen probleem; ze werden gewoon ingeladen. De meesten, zoals mevrouw de Jong, vonden het nog fijn ook. Ze kreeg een hoedje op en na de dienst nog koffie ook. Ze had haar kinderen en kleinkinderen nog nooit zo vaak gezien!
En maandag las ze weer: “Peer vatte Grada bij kruis en kraag en smeet haar in de Maas” Tot op de dag van vandaag ben ik benieuwd of Grada ooit weer ongeschonden uit die Maas is gekomen.