De rust van ons kopje koffie werd luid verstoord door het geknetter van een brommer. “Daar zul je Kapoentje hebben”, zei de invalide vrouw, waar ik net aan de koffie zat. “Kapoentje?” vroeg ik. “Nou kijk maar”, zei mijn gastvrouw met een grijns. Achter de heg kwam een helmpje voorbij. Een rood helmpje met zwarte stippen, net een lieveheersbeestje. Ik moest lachen, want onder het hoofddeksel liep een kleine jonge vrouw met een lachend gezicht. Het was de hulp in de huishouding. Ze kwam binnen en zette haar helm af. “Moet ik nou de stippen tellen om te zien hoe oud je bent?”, zei ik plagerig. “Nee, hoor”, was het antwoord, “Dat kun je ook gewoon vragen, en ik ben 19” Ze nam ook een bak koffie en ging daarna gelijk aan de slag. Ze wist precies wat er gedaan moest worden. Mijn gastvrouw was vol lof over haar: “Kapoen heet eigenlijk Elly en is zo’n leuke meid, en je hoeft haar niets te vertellen, ze weet gewoon, wat ze moet doen.” Ondertussen werkte de hulp gewoon verder en ging stofzuigend de trap op. “Kapoen heeft het thuis niet altijd gemakkelijk gehad, moest al van jongs af aan het huishouden doen. Haar moeder is ziek en haar vader alcoholist” Ik kreeg steeds meer bewondering voor die kleine, en ook wat kriebels in mijn buik. Maar helaas had ze al een relatie.
Een paar maanden later hoorde ik, dat die relatie over was, en schaamde me, dat ik er blij van werd. Ze was vrij! Niet lang daarna, op 1 maart 1979, regende het pijpestelen toen ik weer bij de invalide vrouw op de koffie zat. Kapoen keek naar buiten en wilde haar helm opzetten. “Zal ik je thuis brengen?” vroeg ik hoopvol. Dat wilde ze wel. Ik bracht haar thuis en ze bood me koffie aan. Vanaf dat moment ben ik niet meer alleen geweest. Kapoen is nu mijn lieveheersbeestje.