“Wie het eerste bij de bushalte is!” Ik zette het op een lopen, maar de bus won en reed voor mijn neus weg. Bij de bushalte zat een bejaarde dame. Ik hijgde even uit en vroeg haar vervolgens: “Moest u niet met de bus mee?” Ze keek me glazig aan en knikte. “Maar waarom bent u dan niet ingestapt?” Weer die blik. “Ik mag van mijn moeder niet bij vreemde mannen in de auto stappen.” Dat had ik weer. Deze mevrouw was dus letterlijk en figuurlijk de weg kwijt. Vertwijfeld keek ik rond naar hulp. Niemand te zien. Er moest hier in de buurt toch ergens een verzorgingsinstelling of zo zijn, waar deze mevrouw vandaan kwam? “Waar woont u?” “Wat een rare vraag, jongeman! Thuis, natuurlijk!” Ik zuchtte. “En waar is uw thuis?” “Bij mijn moeder” Dit gesprek ging nergens toe leiden. Wat moest ik nu in hemelsnaam doen? Ik kon haar toch niet aan haar lot overlaten? Zou ik de politie bellen?
Er stopte een auto met een paar oudere dames erin, en de ‘bushalte’-dame stond op. Ze pakte achter zich een tennistas, die ik niet gezien had en stapte gierend van het lachen bij haar vriendinnen in. Ik stond waarschijnlijk niet bijster slim te kijken. Ze keek lachend om en zei: “Heb je al op je mobieltje gekeken welke dag het vandaag is?”