Stagiaire
Ook fysiotherapeuten moeten stage lopen. Zo hebben we in onze praktijk regelmatig stagiaires rondlopen. Vroeger begeleidde ik ook collega’s in spe.
Meestal gaf dat weinig problemen en was het erg leuk. Maar soms kreeg je een wat minder geslaagd figuur. En meestal zag je dat al heel snel; bij het kennismakingsgesprek.
Zo verscheen het onderwerp van dit verhaal, Sape, in een gescheurde spijkerbroek (In de tijd dat zulks nog geen mode was) en afgetrapte gympies. Het zag er niet uit. Hij werd in het voorbijgaan door een medewerkster van top tot teen geringschattend opgenomen. Vernietigend, zoals alleen vrouwen dat kunnen.
Sape begon al met een heel verhaal over de busdienstregeling en of hij niet een uurtje later dan 08.00 uur kon beginnen. Ons antwoord was redelijk kort: “Nee”
We wezen hem er nog op, dat zijn kleding niet geheel volgens onze normen was, waarop hij antwoordde, dat hij niet van ons verwachtte, dat we zijn mode zouden gaan volgen. Hij kon zelf smakelijk lachen om deze grap. Wij niet.
De volgende dag kwam hij om 09.00 uur aankakken. “Sorry, ik heb me een beetje verslapen, en die bussen rijden nou eenmaal best ver om, voordat ze hier in de buurt komen” mompelde hij.
Hij zag er iets beter uit dan tijdens zijn eerste bezoek aan de praktijk, maar verspreidde een penetrante lucht. Knoflook. Mijn collega maakte daar een opmerking over, maar dat vond de brave borst onzin: “Ik maak toch zelf uit, wat ik eet?”
De relatie stagiaire-begeleider kwam hierdoor enigszins onder druk te staan, zullen we maar zeggen.
De volgende dag belde onze vriend om 09.00 uur, dat hij wat later kwam, want hij had zich verslapen. Dat ‘ietsje later’ werd rond lunchtijd, welke hij dankbaar benutte om te brunchen. De druk op de ketel nam schrikbarend toe. Maar in die tijd waren we nog erg geduldig.
Sape was de derde van een drieling. Zijn broers waren psychiater in opleiding en psycholoog. Hijzelf was inmiddels bezig met zijn derde studie. Hij deed erg zijn best, maar kreeg al snel de bijnaam ‘Guust Flater’ naar een bekend stripfiguur.
Hij stapelde blunder op blunder. “Mevrouw, wat heeft u mooie ogen!” en dan: “Jammer, dat ze een beetje scheef staan…” Echt, af en toe stonden mijn tenen krom in mijn schoenen.
Zo had hij op een dag een patientenkaart mee naar huis genomen, ondanks mijn uitdrukkelijke verbod daartoe. (Hij moest een verslagje over de patiente maken) Toen de betreffende patiente op haar volgende afspraak kwam, kon ik nergens haar status vinden. Met moeite redde ik me uit deze penibele situatie. “Hoe gaat het met u? Kunt u al beter bewegen?” waarop de dame haar rechterarm optilde om haar vorderingen te laten zien. Toe wist ik weer, waar ze eigenlijk voor kwam…
Ik gaf Guust Flater flink op zijn donder voor deze blunder: “Ik stond voor gek, idioot, omdat ik door het ontbreken van de kaart niet wist, wat er met die mevrouw aan de hand was!” Hij leek onder de indruk.
De volgende dag zat onze schouder-patiente in de wachtkamer. Sape/Guust liep ons voorbij de volle wachtkamer in en verontschuldigde zich bij haar: “Excuses, mevrouw, dat ik uw kaart had meegenomen en door mij meneer Swart de vorige behandeling niet wist hoe hij u moest behandelen” Ik stond door de grond te zakken en de patiente zat er helemaal niets van te begrijpen.
Die week stond er een prachtige foto in het AD; een volle pagina groot (een reclame). Die knipte ik uit en hing hem op de binnenkant van de keukendeur. Alleen te zien, wanneer je in het piepkleine hok stond en de deur dichtdeed.
Bij de eerstvolgende blunder van onze brave borst zei ik: “Ga hier nou even goed over nadenken in de keuken. Doe de deur dicht, aan de binnenkant hangt een spiegel, en kijk jezelf nu eens diep in de ogen!”
Hij verdween. De keukendeur ging dicht. Dit was wat hij zag:
Auteursarchief: Ype
De firma ‘klavertje’
Studenten zijn per definitie arm. Bij gebrek aan inkomsten en rijke ouders moet je je studententijd in armoede doorbrengen, hetgeen trouwens niet eens zo slecht voor je vorming is.
Ook ik begon zo. Mijn ouders waren zeker niet onbemiddeld, maar mijn studietoelage was niet overdadig.
Op mijn diverse studentenkamers werd dan ook behoorlijk wat tijd doorgebracht met het zoeken naar mogelijke bijverdiensten om de barrekeningen te voldoen.
Af en toe een nacht werken bij de PTT (zo heette KPN post toen nog) brachten wel wat lucht, maar waren toch wat vermoeiend. Zo kon het gebeuren, dat ik tijdens een les zwangerschapsgymnastiek (Echt waar!) bij het onderdeel ‘ontspanningsoefeningen’ zo gigantisch in slaap viel, dat ik halverwege de les voor volgende groep studenten pas wakker werd, en verbaasd om me heen keek naar al die lachende gezichten van niet-klasgenoten.
Dat nachtwerk was dus geen goed idee.
Ik ging vervolgens zeilles geven op de Kralingse plas. Telkens lesblokken van twee uur. Je kreeg steeds andere cursisten, in een ander stadium van hun ‘opleiding’. Maar daar kreeg ik last van een knagend geweten, hetgeen leidde tot ontslag. De kwaliteit van die zeilschool was beneden alle peil, met instructeurs, die vaak zelf amper konden zeilen. Beschamend. Na tien lessen werd er dan een test afgenomen. Toen de baas van de zeilschool me na zo’n test vroeg een soort diploma te ondertekenen voor een aantal cursisten, die het verschil tussen bakboord en stuurboord niet eens konden uitleggen, weigerde ik dat. Daarop tekende hij het zelf. Een diploma, waarmee die stuntels mogelijk een boot zouden kunnen gaan huren! “Dat kun je niet menen!” zei ik, “Dit is gewoon misdadig!” En ik stapte op.
Dus weer op zoek naar een andere bron van inkomsten.
Dat werd de firma ‘ klavertje’
Samen met een klasgenoot ging ik soepgroente verkopen. Hij had viavia een adres gevonden van een fabrikant van pakjes verse soepgroente, die moesten worden verkocht aan slagerijen. (Dit verzin ik dus niet…) De pakjes stonden ergens bij een fietsenstalling (!) opgestapeld en wij moesten zorgen voor de distributie. Hans in zijn Simcaatje, ik in mijn Trabantje. Ons werkgebied: Rotterdam-zuid, Hoogvliet, Spijkenisse, Pernis, Poortugaal, Rhoon. We zetten zo’n 1500 pakjes per week om. En het was natuurlijk de kunst om dat aantal zo groot mogelijk te krijgen. Er werd regelmatig actie ondernomen om nieuwe klanten te werven. Dat mocht ik altijd doen, want ik kletste nogal gemakkelijk, in tegenstelling tot mijn maat. Maar we werkten wel nauw samen.
Ik ging de slagerij binnen met vijf pakjes van ons product. En begon te verkopen. Het lukte vrijwel altijd. (Op die ene keer na, dat de slager mijn maat, die om de hoek stond mee te luisteren, hoorde lachen om de onzin, die ik stond te verkopen.)
Wanneer het een oud slagerij-winkeltje was, zei ik dus niet: “Wat een mooie zaak!” , want dan wist die slager al gelijk, dat’ie in de maling genomen werd. Dan was het beter om de eerlijke gast uit te hangen: “Ik zie, dat u vooral aandacht heeft voor het product, dat u verkoopt! Wanneer ik uw vlees in de vitrine zie liggen, krijg ik al trek! Vooral uw soepvlees ziet er prachtig uit. En wanneer u er nog iets groens naast zou leggen, zoals deze verse soepgroente, dan komt uw vakmanschap nog mooier tot zijn recht….” Ik zette dan mijn pakjes soepgroente op zijn toonbank, keek even om, en fluisterde dan: “Dit kwaliteitsproduct misstaat niet in uw zaak, en u kunt er gemakkelijk wat aan verdienen. Het afrekenen gaat contant, dus zo in uw achterzak” En weer keek ik dan even samenzweerderig om. Als klap op de vuurpijl, om bij de brave borst de laatste twijfel weg te nemen: “Deze vijf pakjes laat ik hier gewoon achter. Kost u niks. Kunt u kijken, of uw klanten belangstelling hebben. Ik kom volgende week weer langs om te vragen, hoe het gegaan is” en vertrok, nagekeken door de verbaasde middenstander.
Niet veel later ging mijn maat de desbetreffende ondernemer verblijden met een bezoek. Liefst wanneer er wat klanten stonden. Hij was bij de padvinderij geweest, en hulde zich voor de gelegenheid in zijn padvindersoverhemd inclusief sjaaltje.
Wanneer hij dan aan de beurt was, zei hij: “Mag ik van u een pondje soepvlees, we hadden nog wat in de vriezer, maar dat is niet genoeg voor de traditionele soep voor ons weekendkamp met de scouting” De slager ging dat soepvlees wegen en inpakken (We moesten zelf toch ook koken, dus dat kwam wel op). “Kan ik verder nog iets voor u betekenen?” Mijn maat riep dan op luide toon: “Soepgroente! U heeft verse soepgroente, dat is handig, dan hoef ik niet meer naar de groentenboer! Doet u maar vier pakjes” Er moest altijd één of twee pakje(s) blijven staan. Meestal werd dat door de klant na onze padvinder gekocht.
Het werkte altijd. Wanneer ik de week erna de winkel binnenkwam, werd ik steeds enthousiast begroet en een bestelling geplaatst.
Concert
We gingen cultureel doen. Dochter Janneke en haar Arno hadden ons en Arno’s ouders (Rob en Alexandra) uitgenodigd mee te gaan naar een concert annex lezing. Ze waren zelf bij de vorige matinee geweest en erg enthousiast. Elly keek al een tikkie moeilijk, maar wilde niet dwarsliggen, dus wij op zondagmiddag op weg naar Amersfoort.
De voorstelling bestond uit twee delen; vóór de pauze een lezing met oude foto’s, gemaakt door ene Charles Koechlin, componist en fotograaf. Nooit van gehoord, en naarmate de middag vorderde leek ik het steeds minder erg, wanneer dat zo gebleven zou zijn. Na de pauze zouden er wat composities van onze Charles op de dwarsfluit ten gehore worden gebracht. Het klonk erg cultureel. Heel erg cultureel.
Dit alles speelde zich af in het ruim van een oud binnenvaartschip, heel toepasselijk ‘de Inspiratieboot’ genaamd. Via een griezelig en smal trapje daalden we af in het redelijk lichte ruim. Luiken van plexiglas lieten voldoende licht door. De inrichting was sober maar netjes; er stonden drie rijen uiterst ongemakkelijke stoelen, neergezet in een optimistische bui over de te verwachten opkomst. We namen voorzichtig plaats op de tweede rij, want we wilden op voorhand niet al te enthousiast overkomen. Janneke en Arno hadden ons verteld over een eerder concert met gitaren, waar ze erg van hadden genoten.
De opkomst was matig. We waren met 18 personen een zeer uitgelezen cultureel publiek. Na nog even te hebben gewacht of er nog meer enthousiastelingen op deze unieke lezing af zouden komen begon Leendert, zo heette onze middagattractie, zijn verhaal.
Er was ergens op een zolder in Frankrijk een oude doos met vakantiekiekjes van fotograaf Koechlin gevonden. Wat een geluk, dat dit voor het nageslacht bewaard was gebleven! Op een projectieschermen verschenen vale dia-afbeeldingen van haventjes, boten en bruggen. Geloof ik, want ik was bij de tweede boot al redelijk onder zeil. Af en toe kreeg ik een liefdevol schopje tegen mijn scheen om me wakker te houden. Elly beheerst de techniek van het lateraal scheenschoppen. Het is best lastig om iemand, die naast je zit, te raken zonder daarbij zelf opvallend zijn kant op te draaien. Het worden dan een soort laterale hakjes. El kan het.
Het duurde maar en het duurde maar. De pauze kwam als een verlossing, maar daarna moesten we weer terug dat ruim in. We wilden wel weg, maar dat zou ook zielig zijn; we waren 1/3e deel van het publiek!
We stonden nog te twijfelen, toen een andere toeschouwer op ons afkwam en Rob vroeg of hij een shaggie van hem mocht draaien. Rob kon lastig weigeren. De man leek op een zwerver, die door het gratis concert een middagje onder dak was. Hij was net zo enthousiast als onsmakelijk. Het viel me op, dat Elly en Janneke ongeveer tegelijkertijd naar zijn kruis keken. Dat was ik niet van ze gewend. Toen zag ik het ook: Zijn donkere lederen broek was gerepareerd met ducttape. In het kruis. Janneke en El liepen even een stukje van het gezelschap weg, omdat ze moeite hadden zich goed te houden. De zwerver nam de voorstelling nog even met ons door terwijl hij de shag van Rob achteloos in zijn kontzak liet verdwijnen. Helaas voor hem had de gulle gever dit door. Met een teleurgestelde kop werd het rookgerei teruggegeven aan de rechtmatige eigenaar en de zwerver verdween.
Na de onderbreking daalden we weer af naar onze ongemakkelijke stoeltjes. Het diascherm was opgeruimd, nu kwam het muzikale deel. Er stond een groot muziekboek op een lessenaartje met allemaal briefjes tussen de bladzijden. De fluitist sloeg het boek open bij het eerste briefje en begon gezellig in zijn dwarsfluit te spugen. Er kwamen wat onsamenhangende klanken uit, maar gezien het serene hoofd van onze artiest scheen dit zo te horen. Ook onze zwerver scheen het erg te waarderen. Al na enige minuten onsamenhangend gefluit zat hij met de ogen gesloten met zijn hoofd mee te deinen met de muziek, af en toe zachtjes “Mooi” mompelend. Ik keek opzij, maar Rob was toch zo te zien niet stoned, want ik begon toch behoorlijk aan diens shag te twijfelen.
Het gefluit duurde lang. Heel veel briefjes lang. Achter ons zaten twee zich voorbeeldig gedragende pubers. Broer en zus. Volgens mij niet helemaal normaal, want ze waren rustig en probeerden niet eens elkaar te pesten, knijpen of de hersens in te slaan. Toen onze fluitist de bladzijdenbriefjes van zijn boek bijna allemaal afgewerkt had, sloeg hij er één open met een uitklapvel. “Nee, he!” hoorde ik het meisje achter me zuchten. “Daar gaan we weer…” zei broer. Gelukkig, ze waren toch een beetje normaal.
Toen het uitklapnummer was afgelopen, probeerde ik de voorstelling voortijdig te laten aflopen door hevig te applaudisseren. In de hoop, dat anderen mijn voorbeeld zouden volgen en onze artiest niet anders kon dan te stoppen. Het plan mislukte. Er werd verstoord mijn kant op gekeken en lateraal schenen geschopt. Beschaamd onderbrak ik mijn blijk van waardering en glimlachte met een rood hoofd, terwijl ik tegen Elly siste: “klap dan mee!” Ze deed net of ze me niet hoorde.
Noodgedwongen zijn we tot het einde moeten blijven zitten. Na de aanfluiting klapte de zwerver het hardst onder het uitroepen van: “Bravo!” Wij klapten, omdat we blij waren, dat het afgelopen was.
We dronken nog een wijntje na afloop. Het was aardig warm geworden in het ruim. Ik moest naar het toilet en de zwerver stond naast me. Ik dacht, dat ik hem zachtjes “Oei, au” hoorde zeggen. Dat is het nadeel van ducttape in combinatie met schaamhaar.
Op weg naar huis vroeg ik El hoe zij de middag doorgekomen was, behalve met mij te schoppen. “Door bouten te tellen” zei ze. Achterin de auto werd gegniffeld. “Dat heb ik ook gedaan!” zei Janneke. En in zo’n schip zitten heel veel klinknagels, want die bedoelden ze. We moesten allemaal lachen.
We zijn en blijven cultuurbarbaren.
Begrafenis
Een vriendin vertelde me laatst over de niet geheel volgens protocol verlopen begrafenis van haar broer.
Zoals bij veel families waren de onderlinge verhoudingen ietwat complex. Mijn vriendin Ineke kon goed met haar broer overweg, maar wat minder met diens echtgenote. Dat was een relatie waarbij in stripboeken ijspegeltjes aan de tekstwolkjes zouden hangen. De schoonzus had Ineke (en de broer en de zus van Ineke) liever niet bij de uitvaart gezien. Maar broer zelf stond erop, dus ze had het moeten beloven.
Dit om even de sfeer te schetsen.
De rouwdienst verliep zonder noemenswaardige incidenten. De kist werd vervolgens door acht mannen naar de laatste rustplaats van broer gedragen. Linksvoor de doodgraver, daarachter een broer van de ijskoningin daarachter twee collega’s en rechts een paar vrienden. De route naar het graf was niet geheel zonder hindernissen en in de stoet rouwenden achter de kist hield Ineke haar hart vast. Uiteindelijk bereikten ze het graf, alwaar de dragers halt hielden. Tenminste, dat was de bedoeling, maar de broer struikelde en liet de kist los, waardoor het gevaarte iets voorover neigde op de schouders van de doodgraver. De overledene zorgde nog voor wat extra gewicht op die arme man, doordat hij in de inmiddels vervaarlijk scheef hangende kist naar voren schoof. Het ging mis. De drager aan de andere kant kon het ook niet meer houden en de boel schoot omlaag. Gelukkig konden de andere dragers net voorkomen, dat de teraardebestelling zou gebeuren zonder de zegen van de dominee. De kist bleef hangen op de rand van de kuil. Maar de linksvoor drager was weg: hij was enige meters omlaag gestort en kroop in het graf verbouwereerd overeind met een bemodderd pak en gedeukte hoge hoed. Vier meter diep. Hij stond een beetje lullig omhoog te kijken naar de omstanders, die over het randje van de kuil verbaasd naar beneden keken. Het was duidelijk, dat hij zonder hulp niet uit de diepte zou kunnen herrijzen.
Er ontstond lichte paniek. De collega uitvaartverzorger dirigeerde iedereen uit de buurt van het ongelukkige voorval en vriendin Ineke ging met broer Ab naarstig op zoek naar een ladder voor de ongelukkige grafdelver. Ab mompelde nog iets van: “Wie een kuil graaft voor een ander…”, maar Ineke was niet echt in de stemming voor grafhumor.
Uiteindelijk werd de kraai uit zijn benarde positie bevrijd. De schade viel mee, alleen het bloemstuk van de ijskoningin, dat als enige op de kist had mogen liggen, was bij de noodlanding van de kist de kuil ingegleden en onherstelbaar beschadigd. Het werd wel weer op de kist gelegd, en symboliseerde eigenlijk heel goed een perfect mislukt huwelijk. En daar kon mijn vriendin dan toch een heel gemeen stiekem klein beetje om gniffelen.
Ineke heeft later nog gebeld met de begrafenisonderneming om te informeren hoe het ging met de gevallen doodgraver. Het ging goed met hem, hij had er behalve de blamage geen blijvende schade aan overgehouden.
de fout-erectie
Oplettende lezertjes zullen gemerkt hebben, dat ik een kolere-hekel heb aan brilslangen met een corrigerende mening. Vooral wanneer dat ook nog verpleegsters zijn, die op een uiterst saaie verjaardagsviering met zo’n kringgesprek voor volwassenen trots vertellen over hun aanpak van de fout-erectie.
De fout-erectie is een blamerende steigering van het manlijk geslacht tijdens het wassen in het ziekenhuis. De brilslang mag daar graag over vertellen, waarbij de nadruk gelegd wordt op ’s vrouws flinkheid bij haar kordate optreden. ‘Dat varkentje wassen we wel even’. De aanpak varieert, maar het pijnlijke tegen de eikel pieken en het generende koude washandje staan op plaats 1 en 2. De dames zullen tijdens zo’n verhandeling goedkeurend knikken dan wel glimlachen. Wat een flink mens is dat! Die beteugelt de steigerende hengst!
Ik kan me dan moeilijk inhouden. En neem me altijd voor dat ook niet meer te doen. Maar hoe te reageren als bezitter van een erectioneel stelsel?
Allereerst met: “Dames, ook ik werk in de zorg, en het overkomt mij wel ook wel eens, dat een patiente ongewenste erecties krijgt. Twee zelfs, wanneer ik haar help met het draineren van haar borsten.” Er zal nu verschrikt gekeken worden. “Wanneer ik er dan tegen piek, of ik gooi er een koud washandje op, krijg ik gegarandeerd een draai om mijn oren vanwege een ongewenste intimiteit!”
Er zal bevestigend geknikt worden.
Vervolgens: “Dus wanneer ik ooit patiënt wordt en ongelukkigerwijze intiem gewassen moet worden waarbij een fout-erectie optreedt, en u piekt tegen mijn geslacht of legt er een koude washand overheen, weet u nu alvast mijn reactie!” De dames zullen geschokt reageren.
En om de sfeer dan echt helemaal naar het vriespunt te krijgen vervolgens even apart tegen de brilslang: “Het lijkt me in uw geval trouwens beter om uw patiënt gewoon zijn bril op te laten zetten. Dat helpt gegarandeerd…”
Het zal wel nooit zover komen. Ik ben te netjes opgevoed om brilslangen goed te kunnen bestrijden.
de wandelclub
De tijd gaat doorgaans ongemerkt aan me voorbij. Maar vanmorgen bekroop me opeens het besef, dat alles eindig is. Dat kwam door Leen. Leen liep alleen voorbij, zonder zijn maten van de ijsclub. En zonder hond.
Iedere zondag om 10.45 kwamen ‘de mannen van de ijsclub’ voorbij. Handen op de rug, ernstig in gesprek. Ze liepen dan hun vaste route die begon bij de stee van boer Kees over de kaagweg, door het Zuid-Beijerlandse bos en dan via de Noorddijk terug naar de Zuidzijdse dijk. Een kilometer of vijf. Na drie kwartier passeerden ze dan ons huis. Iedere zondag hetzelfde, Iedere zondag stipt om 10.45 uur. Weer of geen weer.
Wanneer ik mijn hand opstak, groetten ze terug. Dat heeft even geduurd; in het begin zagen ze me niet. Import groet je niet. Pas nadat ik diverse vergaderingen van de ijsclub van het gehucht ‘Zuidzijde’ had bijgewoond en me zelfs had aangemeld voor de kascontrole bij penningmeester Piet Pleister (zo genoemd, vanwege zijn inzet voor de plaatselijke EHBO) kwam de eerste weifelende groet. Een zondag om nooit te vergeten.
Op het hoogtepunt van de wandelgroep liepen er 4 mannen: Leen, Jacob, Kees (een overjarige hippie met halflang haar, een tred alsof hij rubber in zijn benen had en met altijd een rooskleurig wereldbeeld), en Kees (een welvarende boer). En er sjokten twee sukkelige grote honden mee.
Eerst viel er een hond af. Ik durfde er niet naar te vragen. Later vertrok Kees de hippie naar een soort commune in Spanje.
Jacob kreeg een beroerte en beweegt zich nu voort in een scootmobiel.
Andere Kees is dus nu ook afgevallen, geen idee waarom.
Alleen Leen kwam voorbij. Zonder hond. Het arme beest zal toch niet dood zijn?
de neus
Mijn lieve echtgenote mocht vroeger graag een potje tennissen. Ze speelde vaak allerlei huisvrouwencompetities, waarbij het vooral om de gezelligheid ging. Op een mooie zomerdag speelde ze een dames-dubbelpartij met een voor haar tot dan toe onbekende speelster. Het was mooi weer en ze hadden het prima naar de zin.
Op een bepaald moment moest El’s partner serveren. Elly stond geconcentreerd aan het net te wachten op de dingen die komen gingen. Dat duurde nogal. Er kwam niks. Elly keek om en zag hoe haar tennismaatje glazig voor zich uitkeek en plots als een plank voorover viel, met haar gezicht het gravel in.
Iedereen schrok natuurlijk, maar El bleef rustig en ging aan het EHBO-en: Stabiele zijligging, zorgen dat de luchtwegen vrij zijn en dus, dat de tong niet in haar keel kon zakken, mond controleren.
Toen beet het slachtoffer toe.
Ze had een epileptische aanval en daar horen onwillekeurige spiertrekkingen en kaakkramp soms bij. Elly kwam daar pijnlijk achter: haar duim zat behoorlijk vast tussen de kaken van de patient. En die pitbull liet niet los.
Loek, de tennisleraar, die het schouwspel vanaf de baan ernaast had gadegeslagen, bracht redding met een lepel uit de kantine. Met dit stuk gereedschap werd de kaak van het ene slachtoffer iets opengewrikt teneinde het andere slachtoffer, onze onfortuinlijke EHBO-ster, te bevrijden.
Nadat de epilepsie-patiente was afgevoerd, zat El beteuterd te kijken met een verbandje om haar gekwetste duim. Game-over.
Toen ze me ’s avonds het verhaal vertelde vond ze het minder geslaagd, dat ik er om moest lachen. Het ging al veel beter met haar duim, maar mijn geschater deed ook pijn. Wel prees ik haar om het feit, dat ze in ieder geval iets gedaan had, terwijl veel mensen slechts toekeken.
Maar Elly zou Elly niet zijn, als ze geen medelijden zou hebben met het oorspronkelijke slachtoffer, mevrouw Pitbull.
“Hoe zou het nou met haar gaan”, vroeg ze zich af. Ze besloot toch even te bellen.
De tennismaat was inmiddels allang weer terug uit het ziekenhuis, want had daar dus eigenlijk niks te zoeken. Ze wist van haar epilepsie, maar wilde niet iedereen daarmee lastig vallen. Ze begreep ook, dat anderen kunnen schrikken van een insult, zeker, wanneer het er zo dramatisch uitziet.
“En hoe is het nu met je gezicht?”, vroeg Ellie bezorgd, “en vooral met je neus, want die was helemaal opgezwollen na je val”
Het bleef even stil.
“Die neus is altijd zo” was het antwoord.
Onze hulpverleenster had nu behalve een rode duim ook een donkerrood hoofd. Ze stotterde nog iets van: “O, eh, o, eh, sorry, ,maar Je viel zo ongelukkig op je gezicht, en, eh..” “Het geeft niets hoor, maar die neus is nou eenmaal zo”, zei mevrouw Pitbull.
El rondde het gesprek beleefd af, en zat daarna behoorlijk lullig voor zich uit te kijken. Ze had die grote gok niet eens opgemerkt, voor ze met de tenniswedstrijd was begonnen. Ze vertelde me haar blunder en vond het vreselijk. Ik had met haar te doen en durfde niet hardop te lachen.
Een halfjaar later kwamen we op vakantie in Gran Canaria mevrouw Pitbull en haar man tegen. Ze zaten in hetzelfde hotel als waar wij verbleven. We hebben samen wat gedronken, en nagelachen over het tennisvoorval. Het waren gewoon erg aardige mensen.
Maar die neus was inderdaad imposant.
Vaderdag
Natuurlijk is vaderdag net als moederdag een commerciele uitvinding. Natuurlijk is het onzin om slechts één dag te vieren, dat je het geluk hebt mogen meemaken een kind te krijgen, met alle liefde, en ondanks alle zorgen, die dat met zich meebrengt.
Maar ik herinner me wel die speciale dagen, dat er twee meisjes naast mijn bed stonden te glimmen van opwinding, omdat ze pappa gingen verrassen met iets, waar ze erg hun best op hadden gedaan op school. Een beschilderde… steen, een hart gemaakt van macaroni of een pennenstandaard gemaakt van de binnenste kartonnetjes van w-c.- en keuken-rollen. Geweldig. Veel van deze zaken heb ik nog steeds. Want ze zijn het symbool van de onvoorwaardelijke liefde van kinderen.
Die herinneringen koester ik met een glimlach. Dat het schuurtje vol lag met w.c. papier omdat er voor het kado nou eenmaal alleen de kartonnetjes nodig waren, deerde de pret niet. Het gaat om de gedachte…
het douchestoeltje
Paula, mijn MS patiente, waar ik al eens eerder over vertelde, was door haar douchestoeltje gezakt. Gelukkig werd ze op tijd opgevangen door de wijkverpleegster, die haar die dag verzorgde, maar het stoeltje was total loss.
Bij nader onderzoek door echtgenoot Cor bleek, dat de oorzaak niet slechts het enorme gewicht van zijn eega, maar gewoon roest was. Na vele jaren trouwe dienst in een vochtige omgeving niet zo vreemd.
Cor ging bellen teneinde een vervangend douchestoeltje te krijgen. De volgende dag stond er een man in een iets te ruim pak en met een iets te strak aangetrokken stropdasje op de stoep. “Gemeente Rotterdam” kondigde hij zichzelf aan. “Zo”, antwoordde Cor, “Aparte naam” De man noemde zijn naam daarop alsnog en betrad de benedenwoning van Cor en Paula.
“U had een…” hij keek in zijn papieren, “douche-hulpmiddel aangevraagd?” En keek Cor aan. “Een douchestoeltje voor mijn vrouw”, antwoordde Cor. De ambtenaar, want dat was de man duidelijk, viste een formulier uit zijn tasje. “Dan zullen we de procedure om een aanpassing van uw badkamer aan te vragen in werking stellen” En hij begon te schrijven. “Maar ik hoef alleen maar een nieuw douchestoeltje” mopperde Cor, “Mijn vrouw is door de oude gezakt” De ambtenaar keek verstoord op. “De oude? U had al een douchestoel? Dat verandert de zaak!” Cor begreep er nu net zo weinig van als Paula, die van de meeste zaken niets begreep. “Dus u heeft geen verklaring van uw arts en uw ergotherapeut om een nieuw douche-hulpmiddel aan te vragen?” “Nee”, zei Cor. De ambtenaar was geirriteerd en verscheurde zijn formulier. “Dan moet u niet mij hebben” en vertrok.
Cor ging weer bellen.
De volgende dag stond er een dame in een saai mantelpak op de stoep. “Gemeente Rotterdam” “Uw broer was hier gisteren” grapte Cor, maar gevoel voor humor en ambtenaren gaan niet goed samen. De dame ging gelijk op haar doel af. “Waar is uw badkamer?” Cor ging haar voor. “A, dat is het defecte sanitaire meubilair”, zei het mantelpak en ze pakte een notitieblok en begon te schrijven. “Ik zal iemand sturen om te kijken of het gerepareerd kan worden” Cor was het hier niet mee eens: “Mevrouw, wanneer u goed kijkt, kunt u zien, dat dit stoeltje compleet doorgeroest is. Daar valt echt niks meer aan te repareren!” Mantelpak keek niet op van haar kladblok. “Dat moet de deskundige op dat gebied maar uitmaken. Mijn taak zit erop, goedemorgen!” en verdween.
Daar het vrijdag was duurde het enige dagen voor er weer iemand van de gemeentefamilie op de stoep bij Cor en Paula stond. Een man in werkkleding met een gereedschapskist. “Blij, dat u er bent”, zei Cor, “Mijn vrouw begint al behoorlijk te stinken” De man keek niet begrijpend en liet zich voorgaan naar de badkamer.
“Hier valt weinig aan te repareren, deze moet gewoon vervangen worden” zei de man. Hij pakte alles weer in en vertrok, Cor in complete wanhoop achterlatend. “Dat heb ik al die tijd al gezegd” murmelde hij nog.
Er gingen een paar dagen voorbij tot Cor zelf maar weer eens ging bellen. Er was niets bekend over het douchestoeltje. “Er is toch een monteur geweest?” Cor ontplofte. Er volgden enige klassiek Rotterdamse volzinnen, die Cor in de haven geleerd had.
De volgende dag stond er een jonge nette bijna-heer op de stoep, wederom een lid van de gemeentefamilie. Hij ging met Cor naar de badkamer en nam de schade op. “Dit is een oud model douchestoel en die hebben we niet meer” Cor zei goedmoedig: “Het mag best een andere kleur zijn, hoor” “Dat is het probleem niet, zei de knul, “Maar de ophangbeugel is niet hetzelfde en dus moeten er andere gaten geboord worden” Nu zag Cor wel wat problemen, “En de gaten van het oude douchestoeltje?” “Die kitten we wel even dicht” Cor was hier wat minder blij mee. “Bovendien zit het stoeltje aan een niet dragende wand, die, gezien het te dragen gewicht veel te dun is” Hij keek daarbij even naar Paula, die nieuwsgierig vanuit haar rolstoel alles bekeek.
Toen kwam het circus pas goed op gang.
Er kwamen twee mannen om het oude stoeltje weg te halen en de opengevallen gaten in de tegelwand dicht te kitten.
Daarna kwam een bouwkundige kijken of het wandje wel een douchestoeltje kon dragen. Deze ging helemaal gelukkig weg, omdat Cor hem liet zien hoe hij het met het vorige douchestoeltje had opgelost: een stalen plaat aan de andere kant van de muur.
Toen kwamen er twee mannen om het nieuwe douchestoeltje te plaatsen. Het was 6 weken verder, en al die tijd moest Paula maar een beetje op bed gewassen worden.
Er kwamen nog mannen om de tegels, waar de gaten in geboord waren te vervangen, want de kit bleek toch geen goede oplossing. En iemand om te evalueren of alles naar wens geweest was. Cor had er zo’n 13 geteld. Maar het nieuwe douchestoeltje is er toch gekomen.
Luisteren
Goed luisteren is een eigenschap, die niet iedereen in ruime mate bezit. Volgens mijn Elly vooral niet bij kapsters, maar dat even terzijde.
Mijn patiente Paula had MS en kon daardoor moeilijk lopen. Ik heb haar heel lang ‘op de been gehouden’ door regelmatig met haar te gaan wandelen. Ze deed dat alleen met mij. Haar man, die ik altijd ‘Cor van der Laak’ noemde naar een bekende personage uit de programma’s van van Kooten en de Bie, kreeg haar met geen mogelijkheid in beweging. Ze wilde alleen met mij lopen. En daar haar zorgverzekering, toen nog ziekenfonds, daar geen probleem mee had, ging ik twee keer per week met Paula een blokkie om. Ze vond het heerlijk. Wanneer ik binnenkwam en mezelf aankondigde met: “Wandelvereniging het halve zooltje, of loopclub het knokige knietje” zat ze te lachen en zei dan: “Ik ga graag met je mee, schat!”
Cor van der Laak begreep er niets van. Hem lukte het nooit.
Na vele jaren ging het toch steeds moeizamer en er kwam een rolstoel voor de wat grotere afstanden. Paula bewoog steeds minder en werd daardoor ook steeds dikker. En Cor steeds magerder van het zware rolstoel duwen. Bovendien kreeg hij wat hartklachten, en werd het hem allemaal te zwaar.
Dus zochten we naar een oplossing. Cor vond op een gegeven moment uit, dat er een soort rolstoel bestond, met een motorondersteuning. Dan kon hij erachter lopen zonder veel kracht te hoeven zetten.
Er werd een ergotherapeut ingeschakeld. Een brilslang. Deze ging heel enthousiast Paula ‘in kaart brengen’. Dat viel tegen. Paula had laten we zeggen bij het uitdelen van de hersenen niet bepaald vooraan in de rij gestaan. Maar brilslangen hebben op hun beurt weer niet vooraan in de rij gestaan bij het uitdelen van de oortjes, dus er werd niet echt goed geluisterd. Vooral niet naar Cor. Paula moest onafhankelijk worden, vond het reptiel, dus er werd haar een scootmobiel aangesmeerd. Op de opmerking van Cor, dat Paula daar gewoon te dom voor was, werd slechts vernietigend zijn kant op gekeken. Paula moest zelfstandiger worden, zeker met zo’n seksistische man. Dat Cor nog zachtjes napruttelde, dat hij Paula toch iets langer kende dan de brilslang werd niet serieus genomen. En de gehandicapte in kwestie zat te lachen en zei overal “Ja” op. En snapte er geen barst van.
De scootmobiel moest en zou er komen.
En zo gebeurde het. Er kwam een prachtige scootmobiel met alle toeters en bellen. De brilslang overhandigde plechtig de sleutels en verdween.
De fysiotherapeut moest de scootmobiel-rijles maar verzorgen, daar had het serpent geen budget voor.
Dat leek me een mooie klus voor onze stagiaire. Deze ging vol goede moed met Paula aan de slag. Hij legde alle knoppen uit, maar dat was dus iets te hoog gegrepen voor onze scootcoureur. Ze begreep er geen hout van. Ze ging zitten, en kneep in de hendel aan haar rechterhand, waarop het apparaat vooruit zou moeten gaan. Er gebeurde niets. “Je moet eerst het contactsleuteltje erin doen en omdraaien.” zei onze fysio in spé. Paula keek hem glazig aan. Hij deed het voor en met veel horten en stoten kwam er uiteindelijk beweging in het ding. Ze vertrokken door het tuinhek, Paula met een angstig gezicht en tongetje uit haar mond en de stagiaire er gezellig achteraan rennend met een rood hoofd. Cor en ik namen een bak koffie. En na een kwartiertje rijden, kwamen ze het tuinpad weer op en parkeerden de boel tegen het vervaarlijk krakende tuinhek. Toen wilde onze snelheidsduivel uitstappen, waarbij ze in de linker hendel kneep, het geval achteruit schoot, waardoor ze bijna viel. Ik kon haar nog net opvangen. Kortom; een drama.
De stagiaire was niet voor één gat te vangen en maakte nog een speciaal vel papier, waarmee hij alle overbodige knoppen (Licht/toeter/versnellingen etc.) afplakte om het simpeler te maken. Een goed idee, maar het hielp niets. Paula kon na 2 maanden intensieve les nog steeds niet met het ding omgaan. Toen werd Cor het zat en hij belde met de instantie, die over de hulpmiddelen ging. Er kwam iemand anders kijken, die nu wel luisterde. Na zes weken kwam de rolstoel, zoals Cor die maanden geleden al bedoeld had. En de scootmobiel bleef staan, zonder ooit nog gebruikt te worden.
Doodzonde, en dat omdat de brilslang niet kon luisteren. Niet geschikt voor haar werk, maar omscholen tot kapster was ook geen optie…
