De firma ‘klavertje’

Studenten zijn per definitie arm. Bij gebrek aan inkomsten en rijke ouders moet je je studententijd in armoede doorbrengen, hetgeen trouwens niet eens zo slecht voor je vorming is.
Ook ik begon zo. Mijn ouders waren zeker niet onbemiddeld, maar mijn studietoelage was niet overdadig.
Op mijn diverse studentenkamers werd dan ook behoorlijk wat tijd doorgebracht met het zoeken naar mogelijke bijverdiensten om de barrekeningen te voldoen.
Af en toe een nacht werken bij de PTT (zo heette KPN post toen nog) brachten wel wat lucht, maar waren toch wat vermoeiend. Zo kon het gebeuren, dat ik tijdens een les zwangerschapsgymnastiek (Echt waar!) bij het onderdeel ‘ontspanningsoefeningen’ zo gigantisch in slaap viel, dat ik halverwege de les voor volgende groep studenten pas wakker werd, en verbaasd om me heen keek naar al die lachende gezichten van niet-klasgenoten.
Dat nachtwerk was dus geen goed idee.
Ik ging vervolgens zeilles geven op de Kralingse plas. Telkens lesblokken van twee uur. Je kreeg steeds andere cursisten, in een ander stadium van hun ‘opleiding’. Maar daar kreeg ik last van een knagend geweten, hetgeen leidde tot ontslag. De kwaliteit van die zeilschool was beneden alle peil, met instructeurs, die vaak zelf amper konden zeilen. Beschamend. Na tien lessen werd er dan een test afgenomen. Toen de baas van de zeilschool me na zo’n test vroeg een soort diploma te ondertekenen voor een aantal cursisten, die het verschil tussen bakboord en stuurboord niet eens konden uitleggen, weigerde ik dat. Daarop tekende hij het zelf. Een diploma, waarmee die stuntels mogelijk een boot zouden kunnen gaan huren! “Dat kun je niet menen!” zei ik, “Dit is gewoon misdadig!” En ik stapte op.
Dus weer op zoek naar een andere bron van inkomsten.
Dat werd de firma ‘ klavertje’
Samen met een klasgenoot ging ik soepgroente verkopen. Hij had viavia een adres gevonden van een fabrikant van pakjes verse soepgroente, die moesten worden verkocht aan slagerijen. (Dit verzin ik dus niet…) De pakjes stonden ergens bij een fietsenstalling (!) opgestapeld en wij moesten zorgen voor de distributie. Hans in zijn Simcaatje, ik in mijn Trabantje. Ons werkgebied: Rotterdam-zuid, Hoogvliet, Spijkenisse, Pernis, Poortugaal, Rhoon. We zetten zo’n 1500 pakjes per week om. En het was natuurlijk de kunst om dat aantal zo groot mogelijk te krijgen. Er werd regelmatig actie ondernomen om nieuwe klanten te werven. Dat mocht ik altijd doen, want ik kletste nogal gemakkelijk, in tegenstelling tot mijn maat. Maar we werkten wel nauw samen.
Ik ging de slagerij binnen met vijf pakjes van ons product. En begon te verkopen. Het lukte vrijwel altijd. (Op die ene keer na, dat de slager mijn maat, die om de hoek stond mee te luisteren, hoorde lachen om de onzin, die ik stond te verkopen.)
Wanneer het een oud slagerij-winkeltje was, zei ik dus niet: “Wat een mooie zaak!” , want dan wist die slager al gelijk, dat’ie in de maling genomen werd. Dan was het beter om de eerlijke gast uit te hangen: “Ik zie, dat u vooral aandacht heeft voor het product, dat u verkoopt! Wanneer ik uw vlees in de vitrine zie liggen, krijg ik al trek! Vooral uw soepvlees ziet er prachtig uit. En wanneer u er nog iets groens naast zou leggen, zoals deze verse soepgroente, dan komt uw vakmanschap nog mooier tot zijn recht….” Ik zette dan mijn pakjes soepgroente op zijn toonbank, keek even om, en fluisterde dan: “Dit kwaliteitsproduct misstaat niet in uw zaak, en u kunt er gemakkelijk wat aan verdienen. Het afrekenen gaat contant, dus zo in uw achterzak” En weer keek ik dan even samenzweerderig om. Als klap op de vuurpijl, om bij de brave borst de laatste twijfel weg te nemen: “Deze vijf pakjes laat ik hier gewoon achter. Kost u niks. Kunt u kijken, of uw klanten belangstelling hebben. Ik kom volgende week weer langs om te vragen, hoe het gegaan is” en vertrok, nagekeken door de verbaasde middenstander.
Niet veel later ging mijn maat de desbetreffende ondernemer verblijden met een bezoek. Liefst wanneer er wat klanten stonden. Hij was bij de padvinderij geweest, en hulde zich voor de gelegenheid in zijn padvindersoverhemd inclusief sjaaltje.
Wanneer hij dan aan de beurt was, zei hij: “Mag ik van u een pondje soepvlees, we hadden nog wat in de vriezer, maar dat is niet genoeg voor de traditionele soep voor ons weekendkamp met de scouting” De slager ging dat soepvlees wegen en inpakken (We moesten zelf toch ook koken, dus dat kwam wel op). “Kan ik verder nog iets voor u betekenen?” Mijn maat riep dan op luide toon: “Soepgroente! U heeft verse soepgroente, dat is handig, dan hoef ik niet meer naar de groentenboer! Doet u maar vier pakjes” Er moest altijd één of twee pakje(s) blijven staan. Meestal werd dat door de klant na onze padvinder gekocht.
Het werkte altijd. Wanneer ik de week erna de winkel binnenkwam, werd ik steeds enthousiast begroet en een bestelling geplaatst.