De tijd gaat doorgaans ongemerkt aan me voorbij. Maar vanmorgen bekroop me opeens het besef, dat alles eindig is. Dat kwam door Leen. Leen liep alleen voorbij, zonder zijn maten van de ijsclub. En zonder hond.
Iedere zondag om 10.45 kwamen ‘de mannen van de ijsclub’ voorbij. Handen op de rug, ernstig in gesprek. Ze liepen dan hun vaste route die begon bij de stee van boer Kees over de kaagweg, door het Zuid-Beijerlandse bos en dan via de Noorddijk terug naar de Zuidzijdse dijk. Een kilometer of vijf. Na drie kwartier passeerden ze dan ons huis. Iedere zondag hetzelfde, Iedere zondag stipt om 10.45 uur. Weer of geen weer.
Wanneer ik mijn hand opstak, groetten ze terug. Dat heeft even geduurd; in het begin zagen ze me niet. Import groet je niet. Pas nadat ik diverse vergaderingen van de ijsclub van het gehucht ‘Zuidzijde’ had bijgewoond en me zelfs had aangemeld voor de kascontrole bij penningmeester Piet Pleister (zo genoemd, vanwege zijn inzet voor de plaatselijke EHBO) kwam de eerste weifelende groet. Een zondag om nooit te vergeten.
Op het hoogtepunt van de wandelgroep liepen er 4 mannen: Leen, Jacob, Kees (een overjarige hippie met halflang haar, een tred alsof hij rubber in zijn benen had en met altijd een rooskleurig wereldbeeld), en Kees (een welvarende boer). En er sjokten twee sukkelige grote honden mee.
Eerst viel er een hond af. Ik durfde er niet naar te vragen. Later vertrok Kees de hippie naar een soort commune in Spanje.
Jacob kreeg een beroerte en beweegt zich nu voort in een scootmobiel.
Andere Kees is dus nu ook afgevallen, geen idee waarom.
Alleen Leen kwam voorbij. Zonder hond. Het arme beest zal toch niet dood zijn?