‘De Roerdomp’

Friesland staat in mijn geheugen gegrift als het beloofde land waar het echter bijna altijd regent. Mijn voorouders van vaders kant, vandaar mijn Friese voornaam, kwamen daar vandaan. Mijn vader vond dan ook, dat wij daar naartoe moesten met vakantie. Om onze Friese ‘roots’ te ervaren. Hij had een motorkruiser gehuurd want Friesland is meer Fries-water dan Fries-land, dus varend is de beste manier om al dat moois te bekijken. En mooi was het.(en is het natuurlijk nog)
Ik vond die vakanties helemaal geweldig. We voeren met de ‘Roerdomp’ van dorp naar dorp, of stad, want Friezen hebben een andere wijze van classificeren, wanneer het op het waarderen van verzamelingen huisjes aankomt.
We hadden een opblaasbare tweepersoons-kano bij ons. Die was met een bode naar Friesland vervoerd, want een auto hadden we toen nog niet. (Vakanties waren in die tijd redelijk ingewikkeld.) Ik kon uren spelen met dat ding, waarbij onze teckel soms als nerveuze passagier meeging.
Mijn puberzussen vonden die vaartochten wellicht wat minder, want die hadden geen interesse is kano’s of varen en lagen verveeld op het voordek. Tenminste: die enkele keer, dat het niet regende. En ze hadden verder niets met varen.
Toch moesten ze wel eens een onwillige hand toesteken. Zoals die keer bij de Driewegsluis, gelegen op de grens van Friesland en Overijssel. Vóór het waterwerk voer mijn vader zachtjes op de zachte oever af en stond ik klaar met een lijntje om aan de wal te springen. Dat was mijn belangrijke functie: ik was de eerste ‘aanwalspringer’. Ik legde dan het touw met de lus rond een paal of knoopte het aan hetgeen ervoor bestemd was. Het was tot dat moment altijd goed gegaan, maar nu was er wellicht teveel wind. Ik hield het niet en stond als een heuse touwtrekker met mijn hakken in het gras te verliezen. Mijn jongste zus sprong aan land om te helpen, en algauw volgde zus twee. Ma kon niet achterblijven en sleurde uit alle macht mee, maar het ging toch mis. Tot overmaat van ramp riep mijn vader: “Niet loslaten!”, waarop het hele gehoorzame gezin gezellig met elkaar aan de voortros hangend het water in gesleurd werd. En dat verzekerd van aandacht van de omliggende pleziervaart, omdat teckel Court hysterisch stond te blaffen op de voorplecht en uit pure frustratie in de voortros stond te bijten.
“We varen nog niet zo lang, hoor!” riep mijn moeder als een soort verontschuldiging naar het grijnzende publiek. “Dat hadden we heus wel begrepen, hoor!” antwoordde een lollige zeiljachteigenaar even verderop. Mijn zussen hingen zich met hoogrode koppen te schamen en zwoeren, dat ze nooit meer meewilden op een door pa bestuurde boot. “Misschien staat de motor nog in z’n achteruit, opperde een andere buurman. “Nee, natuurlijk niet!” zei mijn vader nijdig. Gelukkig lukte het even later toch onze ‘Roerdomp’ af te meren. Het publiek was inmiddels te druk om los te gooien teneinde de sluis in te varen om vernietigend te applaudisseren. De sluismeester keek wat vreemd op, toen er een kruisertje zijn kolk binnenvoer met vier drijfnatte bemanningsleden aan boord. Hij had al veel gezien, maar dit…
Veel later, toen we allang weer thuis waren, biechtte mijn vader op, dat de 40pk motor inderdaad zachtjes achteruit had staan te malen, en hij na de opmerking van de buurman stiekem met zijn elleboog de motor in z’n vrij had gezet.
Het jaar daarop werd er een huisje in Grouw gehuurd.

Het Woord

zaterdagochtend. Lekker uitslapen, in je ochtendjas de krant lezen, muziek luisteren en koffie drinken. Mijn favoriete moment van de week. Daar kan ik uitgebreid van genieten.
Vandaag is het zaterdag. Ik genoot van mijn zaterdagochtendrituelen en toen Elly de hondjes ging uitlaten ging ik douchen.
Het douchen op zaterdagmorgen is het ultieme genot, vooral, wanneer er verder niemand thuis is. Dan denk je, dat je kunt zingen. De galm van de badkamer kan daarbij helpen. Luid galmend stond ik mijn kop in te shampoo-en toen de voordeurbel ging. ‘Dingdong, dingdong’ mijn gezang werd wreed verstoord alsof ik terecht drie rode kruisen kreeg bij een talentenshow op televisie. Ik graaide met shampoo in mijn ogen naar een handdoek, probeerde me snel wat af te drogen en vond op de tast mijn kamerjas. Ik glibberde naar de voordeur, kreeg net op tijd mijn badjas dicht en deed open. Twee dames met een gelukzalige glimlach en nette blousejes. Nog voordat ze iets zeiden wist ik het al: Die gingen iets verkondigen. En als er iets is waar ik op zaterdagmorgen, met mijn kop vol schuim en mijn ogen prikkend van de shampoo geen behoefte aan heb, is het wel: “Goedemorgen, meneer, wij zouden u graag kennis laten maken met het Woord”. Er kwam maar één woord op dat moment in mijn gedachten, maar dat heb ik maar voor me gehouden. “Ik ben niet geïnteresseerd” kon ik slechts uitbrengen en smeet de deur dicht. Door de kracht, waarmee ik dat deed ging ik bijna onderuit. “God straft direct” dacht ik terwijl ik terugstrompelde naar de douche.

Kamperen

“Mamma, ik heb in bed geplast” Klonk het benauwd vanuit het hoge bed achterin de caravan. “Nee, hè,” zuchtte de moeder, die net nog zo gelukkig was en ze kwam haar bed uit. “Maar waarom roep je mamma dan niet even schat, als je niet uit je hoogslaper durft te komen?” zei de moeder, die er nu al spijt van had, dat ze de kleine had toegestaan het hoge bed te kiezen. “Dat heb ik gedaan, mammie!” klonk het kleine stemmetje. “Ik heb je niet gehoord, lieverd, ik was met pappa aan het praten” “Je hebt me wél gehoord!” klonk het verontwaardigd. “Je gaf zelfs antwoord”, Ze keek heel boos. “Antwoord?” Moeder was verbaasd. “Ja, hoor”, zei het meisje, nu met haar armpjes eigenwijs over elkaar. “Je riep wel twee keer: Ik kom, ik kom!, maar je bleef gewoon bovenop pappa zitten!”
Met een rood hoofd werd het bed verschoond.
Kampeervakanties kennen veel diepte- en dus vrijwel geen hoogtepunten. Dat begint al bij de aankomst op de camping. Er moet een plekje worden gezocht voor het kampeermiddel. Wij waren eens in Zuid-Frankrijk, het was bloedheet en we waren moe. Ik was moe na een lange rit en Elly was blij, dat ze even haar benen kon strekken. Die beende de camping over op zoek naar de ideale plek. Ik wilde alleen maar zitten en bier. Maar ik moest begrijpen, dat we wel even op die plek zouden blijven en zij geen zin had om zich ergens aan te ergeren. Dus ik liep begripvol achter haar aan te sloffen, en wees voor de vorm wat plekken aan, die steevast afgekeurd werden. “Daar?” “Nee, te dicht bij het plé-gebouw” “Daar dan?” “Nee, geen schaduw” “die dan?” “Nee, geen zon”, “En daar?” “Te ver van het plé-gebouw” zuchtend slofte ik de hele camping over. Uiteindelijk zag ze de ideale plek. Dus ik liep het hele kolere-eind terug om de auto + caravan op te halen bij de ingang. Na een heel gemanoevreer werd het kampeermiddel op zijn plek gezet en de auto afgekoppeld. Ik had de pootjes van de kampeerwagen uitgedraaid en na een kwartier stellen het geheel waterpas gekregen, toen er afkeurend gekeken werd. “Eigenlijk zou ik hem liever wat naar achteren willen, dan hebben we wat meer ruimte aan de voorkant” Ik keek niet begrijpend. “Naar achteren? Wat bedoel je” Uit haar verdere uitleg bleek, dat voor haar de kant van de deur de voorkant was. Dus ze wilde het hele gevaarte een 30 cm naar de kant tegenover de deur verzetten. Dus dwars op de rolrichting van de wielen. Ik zuchtte en begon de pootjes weer in te draaien, want ik wilde graag een leuke vakantie zonder gezeur over 30 cm. “Dat is toch niet zo’n moeite?” klonk het achter me. “Nee hoor, even de pootjes indraaien, dan wat buren vragen of ze willen helpen en met zijn allen de caravan optillen en een stukkie naar achteren zetten” zei ik, “Want helaas staan de wielen niet dwars onder de caravan”. Of ik moet de auto weer aankoppelen, want het is hier niet helemaal recht, dus even met de hand de boel verzetten wordt lastig”. Ik geef toe, dat ik iets sarcastisch klonk. Onweerswolken trokken zich samen boven het huwelijk.
Kortom, de kinderen smeerden ‘m.
Met het gegeven, dat er van goedmaakseks op een camping geen sprake kan zijn, vanwege de boven beschreven situatie en dat bovendien dan alle buren jaloers mee kunnen luisteren, begrijp ik, dat de echtscheidingsadvocaten het na de grote vakantie altijd zo druk hebben…

Afmeren

Gisteren was het een ideale dag om een ijsje te gaan eten in Oud-Beijerland. Bij het haventje haalden we bij de Gebo een loopijsje; Elly een hoorntje met 2 bolletjes malaga en ik een ijshoorntje met kaneel, caramel-zeezout en yoghurt-limoncello. Tevreden over onze keuze gingen we zitten op een hele mooie bank bij het haventje. Het was rond half-vier, en er kwamen al boten binnen, op zoek naar een plekje om te overnachten. Dit levert doorgaans hilarische taferelen op, dus ik ging er eens goed voor zitten.
Een behoorlijk grote motorboot voer optimistisch de haven in, maar kwam er snel achter, dat de plekjes achterin voor jachteigenaren met een lager budget bedoeld waren. Hij dreef even besluiteloos door het haventje en besloot toen te draaien. Met een luid gierende boegschroef lukte dat net. Ik zuchtte. Met zo’n boegschroef is er niks meer aan. Dan kan iedere dombo zijn schip op een plekkie parkeren. Ik begon net aan het caramel-zeezout bolletje, toen er een wat kleiner scheepje naar binnen kwam. Het was zo te zien een snel ding, met een van voren naar beneden afbuigend dek. Achteraan was er een zwemplateau, laag bij het water, hetgeen het aan boord komen na een zwempartij moest vergemakkelijken. Op dat zwemplateau stond een blonde dame van middelbare leeftijd volkomen nutteloos te zijn met een stuk touw in haar handen. De boot draaide vooruit een box in en aan de achterkant was nergens een touw aan vast te knopen. Net als aan de aanwezigheid van de blonde matroos.
Voorop kroop een vrouwelijke puber met een erg ongeïnteresseerde kop (Maar dat zegt weinig, vrouwelijke pubers hebben ALTIJD een ongeïnteresseerde kop) en ook een stuk touw in haar handen. Ik ging er eens goed voor zitten. De schipper, duidelijk herkenbaar aan de felwitte kapiteinspet op zijn kalende knar, manoevreerde het lelijke geval de box in. Ook bij dat kleine bootje klonk het gegier van een boegschroef. Ik moest glimlachen. Vroeger, (Opa vertelt) voeren wij met een botter van 15 meter probleemloos iedere haventje binnen. Zonder boegschroef. En deze stoethaspel kreeg zijn pieremagoggel van net 8 meter met moeite tussen een paar paaltjes door met zo’n gierend geval.
Dochterlief sprong bevallig met haar ongeïnteresseerde hoofd en het touwtje in haar handen van boord op de steiger, draaide zich om en zag en het bootje door de kracht van haar afzet weer terugdrijven. Ze had er even niet aan gedacht het einde van het touwtje eerst aan de boot vast te maken, vóórdat ze er af sprong. Ze keek verbaasd beurtelings naar het touwtje in haar handen en vervolgens naar de wegdrijvende boot. Ze was net zo blond als haar moeder. Onze schipper had een box uitgezocht juist vóór een vol terras, en het gegniffel was wellicht niet hoorbaar, maar zeker merkbaar. Het wicht nam een sprong en haalde, tot grote teleurstelling van het gehele terras en vooral van mij, nét het voordek. De kapitein voer zachtjes achteruit en ging een ander plekje zoeken, waar wat minder publiek was. Vreemd genoeg zonder dat er een woord gezegd werd.
Ik was halverwege mijn yoghurt-ijs met limoncello, toen er eindelijk een plekkie gevonden werd en er nu wat minder problematisch werd afgemeerd. Ondertussen stond moeder de lichtmatroos nog steeds met haar touwtje op het zwemplateau. En nog steeds was daar geen touw (aan) vast te knopen.

Hulpverleners

Een krom staande kakkende teckel heeft wel iets van een halve Hema-worst: langwerpig en het laatste stukje buigt af naar beneden. Ik zat in de auto te wachten op mijn lief, die even een dameswinkel bezocht.
Het bazinnetje van onze laagpotige schijter had niets in de gaten, daar ze een, aan haar gezicht te zien, prettig gesprek voerde met haar mobiele telefoon. toen kwam er een oudere man de hoek om, die onze ontlastende viervoeter niet zag en een fikse tuimeling maakte. En bleef liggen. Ik maakte mijn veiligheidsriem los om te gaan helpen, maar was al te laat. Midden op de weg remde een auto met gierende banden, de alarmlichten gingen aan en er kwam een hulpsnor uit. Hij bleef rustig en haalde een hesje uit zijn kofferbak, waarop met grote letters: ‘BHV’ stond. Ook aan de andere kant kwam er iemand aangesneld, en die had een EHBO-hesje om de schouders. Dat kon leuk worden. De oude baas probeerde inmiddels op eigen kracht weer overeind te komen, maar werd omlaag geduwd door het bazinnetje van de teckel. “U moet vooral blijven liggen, wie weet, wat u allemaal gebroken heeft!” klonk het bezorgd. De man werd zachtjes maar overtuigend weer plat op de grond geduwd en kreeg niet de kans om tegen te spreken. Een derde voorbijgangster kwam naderbij gesneld met een tot kussen omgevouwen jas. Deze droeg een Rode-Kruis hes. Ik bleef maar een beetje op afstand, want de hulpverleners waren in een heftig competentiegesprek gewikkeld; ieder claimde het slachtoffer. De EHBO-er zei: “ik zag hem het eerst!”, de BHV-er zei: “Ik neem de leiding”, en wees de Rode Kruis-dame aan om 112 te bellen. Die trapte erin, dus was naar de tweede hulprang gedegradeerd. De EHBO-er zei tegen de BHV-er: “U kunt het beste uw auto even weg zetten, u blokkeert de hele weg, dan neem ik het hier van u over!” , maar onze hulpsnor liet zich niet van zijn slachtoffer wegsturen: “Gaat u nou maar even het verkeer regelen, dan doet u ook wat nuttigs in plaats van aan mijn hoofd te zeuren!” En met zachte stem tegen het slachtoffer: “Hoe heet u? en weet u wat er gebeurd is?” De oude baas probeerde weer omhoog te komen. “Blijft u maar rustig liggen, de ambulance is onderweg”
De EHBO-er liet zich niet commanderen en zei bits: “Wanneer u uw auto gewoon weghaalt, hoeft er geen eens verkeer geregeld te worden!” De stemming werd grimmig. Ondertussen had de oude baas al weer een paar keer getracht op te staan, maar hij werd beurtelings door de EHBO-er en de BHV-er weer omlaag gedrukt.
Toen kwam Elly terug uit de winkel met een of ander tasje. “Wat is hier aan de hand?” vroeg ze, terwijl ze instapte. “Die oude man is geteckeld door dat beest” zei ik, wijzend op het hondje. “Moet je niet gaan helpen?” vroeg mijn lief. “Nou, dat is volgens mij niet nodig, want ik heb het idee, dat die man hooguit wat blauwe plekken en een schaafwondje heeft, maar ik durf dat niet tegen die hesjes te zeggen”, zei ik en deed mijn gordel weer om. “Maar hij krijgt de kans niet om gewoon op te staan” Ik reed voorzichtig weg, want de auto van de BHV-er stond behoorlijk onhandig midden op straat.       Terwijl ik wegreed, viel me op, dat de naast het slachtoffer zittende BHV-hulpsnor met zijn knie in de drol van de teckel zat. ‘Stank voor dank’, dacht ik en moest even inwendig lachen.

Anamnese

Het was een gewone dag in een gewone week. Bij me zat een wat oudere dame met priemende oogjes en een ietwat groot uitgevallen handtas op schoot. “Waar heeft u last van?” begon ik. “Wilt u me wel aankijken, wanneer u met me praat!” zei ze venijnig. De oogjes schoten vuur. Ik bleef beleefd en legde haar uit, dat ik af en toe wat aantekeningen moest maken om beter te kunnen onthouden wat ze tegen me gezegd had. En keek haar bij die uitleg doordringend aan. “U zit naast me en u mag meelezen op het scherm” De oogjes keken naar het scherm en vervolgens weer naar mij. “Ik moet niks van die computerdingen hebben” Dat antwoord verbaasde me niet. Ik probeerde opnieuw: “Waar heeft u last van?” “U gaat wel direct op uw doel af, he? Weet u, dat dat bedreigend over kan komen?” Ik hield een zucht in. “Het gaat erom, dat ik toch zal moeten weten wat u mankeert om u te kunnen helpen” zei ik rustig. Er waren al 10 minuten voorbij en ik wist nog helemaal niets. “Heeft u ergens pijn?” “Natuurlijk heb ik pijn!” “Waar?” Er leek schot in te komen. “Overal! Mijn rug lijkt wel gebroken en ik heb vreselijke pijnen in mijn knieen” “Hoelang heeft u al last van uw rug?” vroeg ik en begon vast wat in te typen in haar kaart. “Vreselijke pijn, hier” ze wees een plek op haar rug aan. “Maar hoe lang heeft u er al last van?” probeerde ik weer. “En wanneer ik uit bed kom, steekt het daar” ze wees een andere plek aan. En gaf weer geen antwoord op mijn vraag. “En hoelang heeft u die pijn op die plekken al?” “laat me uitpraten jongeman!” De oogjes priemden weer vuur. Ik keek op de klok en zag, dat er nog maar 15 minuten restten van de voor het onderzoek benodigde tijd, en ik wist nog steeds vrijwel niets.
“En mijn nek doet ook zeer. Zou ik daar soms duizelig van kunnen worden? Mijn dochter denkt van wel en die heeft een collega, wier man neuroloog is, dus die kan het weten.”
“Hoelang heeft u al last van uw nek?” probeerde ik tegen beter weten in. “Die man is neuroloog in Belgie, en daar is de gezondheidszorg echt wel beter dan hier, want ik heb een buurvrouw, die naar Belgie gegaan is voor een nieuwe heup, en dat was haar uitstekend bevallen.” Ik was haar nu volledig kwijt. En de behandeltijd was bijna om. Ik moest nu ingrijpen. “Waarom bent u naar me toegekomen? Voor uw rug of voor uw nek1” Ik zei het met enige nadruk. Het bleef even stil. “U laat me niet uitpraten” Ik glimlachte zo vriendelijk mogelijk en zei langzaam, maar erg nadrukkelijk: “Ik wil gewoon weten, waar ik u mee van dienst kan zijn. De pijn in uw rug of de pijn in uw nek?” De oogjes keken verbaasd, “Geen van beiden, jongeman, ik ben gevallen en heb mijn pols gebroken. Maandag is het gips eraf gegaan. O, da’s waar, ik heb hier ergens een verwijsbrief” Ze haalde een briefje uit haar hutkoffer.
Nu zuchtte ik wel. De tijd was om en ik moest nog beginnen. De oogjes keken me vragend aan.

Heng, de duurzaamheid

Op de achterzijde van de Huang Ti, het vakblad van de Nederlandse vereniging voor Acupunctuur, stond de beschrijving van de HENG, de 32e hexagram. (Uit de I tjing, het boek der veranderingen, zo’n 3000 jaar oud)Duurzaamheid. Het hexagram bestaat uit twee delen. Het ene deel is donder en wind, met name aan de buitenkant, het andere is de innerlijke zachtmoedigheid. Bovendien stond erbij, dat het het huwelijk voorstelt. Hier heb ik even over moeten nadenken. Toen dacht ik aan een patiënte van me, die haar leven deelt met een man, die door een voortschrijdende dementie steeds onbereikbaarder wordt. Hij zit op zijn stoel, gaat soms een klein stukje fietsen, waarbij het steeds de vraag is of hij zijn thuis weer zal kunnen vinden, en gaat na het eten om zeven uur naar bed. En verder zit hij.
Vroeger was hij boer en hij boerde goed. Hij genoot van zijn leven en dronk een flink borreltje. Ik ken hem, zoals hij vroeger het smalle trapje opkwam van het zoldertje, waar altijd de jaarvergaderingen van ijsclub ‘De Kom’ worden gehouden. Steevast behoorlijk aangeschoten en in voor een snedige opmerking en een goede grap. Hij had een ondeugende twinkeling in zijn ogen. Wanneer hij dan na een ijsclubvergadering stevig aangeschoten naar huis toe slingerde, maakten wij ons wel eens zorgen hoe hij daar aan zou komen. Vaak terecht, want geregeld miste hij het bruggetje over de sloot voor zijn boerderij en kroop dan drijfnat, de kop onder het kroos, naar de deur. Zijn vrouw droogde hem dan af en stopte hem in bed. Zachtmoedig.
Op een gegeven moment had hij zijn schaapjes op het droge en ze verhuisden naar een luxe apartementje in het dorp. Hij leefde daar nog een tijdje als God in Frankrijk tot hij in kennelijke staat bij het posten van een brief de gleuf en eigenlijk de hele brievenbus miste, en viel. Daarbij brak hij wat botten.
Hij werd opgenomen in het ziekenhuis en besloot te stoppen met drinken. Zijn vrouw dankte onze lieve Heer hiervoor, maar toen doofde zachtjes de twinkeling in zijn ogen. Nu zit hij thuis voor het raam. Zijn vrouw wil hem het liefst zolang mogelijk thuis houden. “We zijn ooit samen getrouwd en we hebben veel meegemaakt. Dat verdient hij.”
‘De donder rolt en de wind waait. Het huwelijk is constant in beweging, fases wisselen zich af als planeten die door het heelal bewegen volgens vaste banen. Seizoenen volgen elkaar op. Duurzaamheid is geen passieve toestand, het is constant in beweging.’ (I tjing)
De zachtmoedigen verdienen respect.

‘financial advisor’

“Z’n ballen hingen over de rand van de bank”. Ik keek even opzij naar mijn lief, die het koffiekopje van de ‘financial advisor’ stond af te wassen. Ze had het gezegd met een spoor van walging in haar gezicht. “Waar jij allemaal op let”, zei ik verbaasd. “Nou, daar kon je echt niet omheen kijken. Hij zat met zijn benen wijd een beetje naar voren op de bank, en in die slappe broek van hem zag je gewoon, dat z’n zakie over de rand van de zitting hing.” Ik moest even lachen. “Maar wat vond je van zijn voorstel?” “Welk voorstel?” zei ze, “Hij was alleen maar bezig zijn geweldige nieuwe product te verkopen. Ik begreep er niets van. En toen ik vroeg of ik zijn getekende uitleg mocht kopieren om het nog eens na te lezen, stopte hij het snel weg. Dat zou ik pas krijgen, nadat we zouden hebben getekend.” Ze had gelijk, dat ze verongelijkt was. De bonestakerige badmuts met bruine puntschoenen had zichzelf uitgenodigd met de boodschap, dat hij eens met ons onze financiele positie voor nu en voor na mijn pensioen wilde doornemen, maar hij was vooral bezig geweest zijn geweldige nieuwe product, de een of andere lijfrente-polis, te verkopen. Hij lulde ons de oren van de kop en wist ons telkens weer te irriteren. Over hoe gezond hij leefde, bijvoorbeeld. Daarbij leunde hij even achterover, waarbij zijn ballen dus weer even op de zitting van de bank kwamen. “Het zitten is het nieuwe roken, wist u dat?” Daarna keek hij naar mijn buik, “En suiker is het nieuwe vet!” En glimlachte alsof hij het zelf had uitgevonden. Ik probeerde grappig te zijn: “En fitness is het nieuwe neuken!” Hij keek nu erg verbaasd, “Je gaat er ook van zweten en hijgen alleen je vrouw krijgt er geen dikke buik van.” Hij schoof weer naar voren op de bank, en liet zijn zakie weer teleurgesteld bungelen. Elly keek mij vernietigend aan. De ‘financial advisor’ gaf het op en pakte zijn tassie. Hij moest nog een eind rijden, zei hij, en vertrok.

Godverdomme

“Ik wil graag weer op mijn eigen fiets kunnen fietsen”, had hij geantwoord op mijn vraag naar zijn therapie-doelstelling. Dat was nu vijf maanden geleden in zijn mooie huis vlakbij de praktijk. Door de chemo’s had hij geen kracht genoeg meer om naar de praktijk te komen. Ik noteerde het en had mijn twijfels. Maar hij bleek een bijter, een terrier. Na een paar thuis-sessies kon hij naar de praktijk komen, eerst werd hij gebracht, later voorzichtig lopend.
Hij trainde meerdere malen per week het zweet op zijn kop met dat ene doel voor ogen, die fiets. Toen hij met pijn en moeite de trappers van de hometrainer in de praktijk twee keer rond kreeg glom hij van het zweet en van trots.
Na drie maanden kwam hij berentrots de praktijk binnen en wees trots naar buiten. “De fiets van mijn vrouw, met lage instap en trapondersteuning!”
Hij bleef sterker worden, trainde als een topsporter, gemotiveerd tot op zijn aangetaste bot. Tot drie weken geleden. Hij bracht gebak mee. “Het is gelukt! Ik ben op mijn eigen fiets!” We waren samen blij, deelden even lief en even geen leed.
Gisteren was hij voor het laatst. De uitslag van het bloedonderzoek was niet goed geweest en hij was eerder van de week door de scanner gegaan. Maar hij wist het al.
Hij fietste op de hometrainer tegen beter weten in tot het zweet van zijn kop gutste, duwde op de legpress enorme gewichten tot grote hoogte en nam toen afscheid. “Ik ga eerst met vakantie naar Tenerife, daarna krijg ik de uitslag van de scan”, zei hij en kreeg tranen in zijn ogen,”maar ik weet het al”. Ik hield het ook niet droog en we gaven elkaar een hele warme hand. “Geniet van je vakantie’, zei ik, maar het klonk belachelijk. Hij begreep het wel, knikte, omdat hij geen woorden meer had, draaide zich om en sprong buiten op zijn fiets. Therapie-doelstelling gehaald. Godverdomme.

Jarig

Op de middelbare school zat hij naast me. Bennie noemde we hem, terwijl hij gewoon Peter van Bennekom heette. Maar Menno Poldermans noemden we ook Pol, dus die naam was op zich niets geks. Bennie was een beetje een stille jongen, met altijd hetzelfde colbertje aan, en kort vet haar. Meestal lieten we hem gewoon met rust. In die tijd werd er niet zo hevig gepest. Alleen een klein beetje plagen.
“Gefeliciteerd met je verjaardag, Bennie!” deed het altijd wel goed, want de van Bennekommetjes waren Jehova-getuigen. “Ik ben niet jarig!!” brieste hij dan. “O, sorry, Bennie, maar wanneer ben je dan wel jarig?” kwam er dan steevast als plaagvraag achteraan. “Ik ben nooit jarig, hoe vaak moet ik dat nog zeggen!” Dan hadden we hem echt op de kast.
Maar we deden dat maar heel af en toe, net als het wachttorentje uit zijn tasje pikken. Dat was plagen, meer niet.
We kregen toendertijd geschiedenis van Dhr. Buurman. Deze brave borst hield zich met een behoorlijke dosis valium net staande als docent. Wanneer het moeilijk voor hem werd, dook hij het kabinetje achter zijn lokaal in om een rustgevend tabletje tot zich te nemen. Deze leraar deed erg zijn best populair gevonden te worden en had bedacht, dat hij iedere leerling persoonlijk wilde feliciteren met zijn of haar verjaardag. Ook als je geen les van hem had. Hij loerde iedere dag over de gangen of hij een jarige zag en sprintte dan op zijn prooi af om die uitvoerig te wijzen op diens verjaardag.
Dat was onze kans. Op een dag gingen we quasi nonchalant bij de beste man langs en vroegen hem, of hij Bennie al gefeliciteerd had. Hij verstijfde, “van Bennekom, maar die is toch vandaag helemaal niet jarig?” stamelde hij en hij spurtte zijn kabinetje in om in zijn leerlingenlijst de geboortedatum van ons slachtoffer op te zoeken. Even later kwam hij triomfantelijk terug met de mededeling, dat Bennie op 5 december pas jarig was. Wij gierden van binnen van het lachen, want Sinterklaas is nog zo’n taboe bij de Jehova’s getuigen.
Niet lang daarna was het de grote dag en we hadden met de hele klas gelapt en voor Bennie een pakje vulpenvullingen gekocht. Hij was de enige in de klas, die nog met een ouderwetse vulpen schreef. Keurig ingepakt, en vanwege de sinterklaas ook nog een gedicht erbij.
Dat gedicht hadden we niet hoeven doen, want Bennie gooide het woedend weg, terwijl hij de vulpenvullingen achteloos in de zak van zijn colbertje liet glijden met de woorden: “Niet leuk, helemaal niet leuk!” Wij konden er wel om lachen.
Later, in de pauze, ging het pas echt mis. We hadden even niet op Dhr. Buurman gerekend. Deze kreeg Bennie in het vizier en kwam al met uitgestoken hand op hem af om hem te feliciteren. De jarige vluchtte met de docent snelwandelend achter zich aan, vloog de bocht om bij de aula, raakte in een slip op de gladde vloer en ging onderuit, met zijn volle gewicht op de zak van het colbertje met de inktpatronen. De geschiedenisdocent hielp hem overeind: “Je hebt je toch geen pijn gedaan?” Bennie voelde aan zijn heup en bekeek vervolgens vol afgrijzen zijn hand. Blauw. Alle inktpatronen waren bij de val gesneuveld. Inmiddels waren wij ook genaderd en iemand zei: “Heb je blauw bloed, Bennie. Dat had je wel eens mogen zeggen!” Het slachtoffer keek inmiddels beteuterd naar de inmiddels enorme inktvlek op de zak van zijn jasje. “Nou, wanneer je moeder dat vanavond ziet, ben je nog niet jarig!”, zei een ander. Toen Dhr. Buurman hem vervolgens ook nog uitvoerig feliciteerde met zijn verjaardag, vluchtte ons slachtoffer richting toilet. Onder bulderend gelach.
Die inktvlek is nooit meer uit dat jasje gegaan. Maar hij bleef het wel dragen. Iedere dag leek het net of die vlek mij verwijtend aankeek, want ik had toch wel een beetje spijt van mijn geplaag.