Anamnese

Het was een gewone dag in een gewone week. Bij me zat een wat oudere dame met priemende oogjes en een ietwat groot uitgevallen handtas op schoot. “Waar heeft u last van?” begon ik. “Wilt u me wel aankijken, wanneer u met me praat!” zei ze venijnig. De oogjes schoten vuur. Ik bleef beleefd en legde haar uit, dat ik af en toe wat aantekeningen moest maken om beter te kunnen onthouden wat ze tegen me gezegd had. En keek haar bij die uitleg doordringend aan. “U zit naast me en u mag meelezen op het scherm” De oogjes keken naar het scherm en vervolgens weer naar mij. “Ik moet niks van die computerdingen hebben” Dat antwoord verbaasde me niet. Ik probeerde opnieuw: “Waar heeft u last van?” “U gaat wel direct op uw doel af, he? Weet u, dat dat bedreigend over kan komen?” Ik hield een zucht in. “Het gaat erom, dat ik toch zal moeten weten wat u mankeert om u te kunnen helpen” zei ik rustig. Er waren al 10 minuten voorbij en ik wist nog helemaal niets. “Heeft u ergens pijn?” “Natuurlijk heb ik pijn!” “Waar?” Er leek schot in te komen. “Overal! Mijn rug lijkt wel gebroken en ik heb vreselijke pijnen in mijn knieen” “Hoelang heeft u al last van uw rug?” vroeg ik en begon vast wat in te typen in haar kaart. “Vreselijke pijn, hier” ze wees een plek op haar rug aan. “Maar hoe lang heeft u er al last van?” probeerde ik weer. “En wanneer ik uit bed kom, steekt het daar” ze wees een andere plek aan. En gaf weer geen antwoord op mijn vraag. “En hoelang heeft u die pijn op die plekken al?” “laat me uitpraten jongeman!” De oogjes priemden weer vuur. Ik keek op de klok en zag, dat er nog maar 15 minuten restten van de voor het onderzoek benodigde tijd, en ik wist nog steeds vrijwel niets.
“En mijn nek doet ook zeer. Zou ik daar soms duizelig van kunnen worden? Mijn dochter denkt van wel en die heeft een collega, wier man neuroloog is, dus die kan het weten.”
“Hoelang heeft u al last van uw nek?” probeerde ik tegen beter weten in. “Die man is neuroloog in Belgie, en daar is de gezondheidszorg echt wel beter dan hier, want ik heb een buurvrouw, die naar Belgie gegaan is voor een nieuwe heup, en dat was haar uitstekend bevallen.” Ik was haar nu volledig kwijt. En de behandeltijd was bijna om. Ik moest nu ingrijpen. “Waarom bent u naar me toegekomen? Voor uw rug of voor uw nek1” Ik zei het met enige nadruk. Het bleef even stil. “U laat me niet uitpraten” Ik glimlachte zo vriendelijk mogelijk en zei langzaam, maar erg nadrukkelijk: “Ik wil gewoon weten, waar ik u mee van dienst kan zijn. De pijn in uw rug of de pijn in uw nek?” De oogjes keken verbaasd, “Geen van beiden, jongeman, ik ben gevallen en heb mijn pols gebroken. Maandag is het gips eraf gegaan. O, da’s waar, ik heb hier ergens een verwijsbrief” Ze haalde een briefje uit haar hutkoffer.
Nu zuchtte ik wel. De tijd was om en ik moest nog beginnen. De oogjes keken me vragend aan.