Gisteren was het een ideale dag om een ijsje te gaan eten in Oud-Beijerland. Bij het haventje haalden we bij de Gebo een loopijsje; Elly een hoorntje met 2 bolletjes malaga en ik een ijshoorntje met kaneel, caramel-zeezout en yoghurt-limoncello. Tevreden over onze keuze gingen we zitten op een hele mooie bank bij het haventje. Het was rond half-vier, en er kwamen al boten binnen, op zoek naar een plekje om te overnachten. Dit levert doorgaans hilarische taferelen op, dus ik ging er eens goed voor zitten.
Een behoorlijk grote motorboot voer optimistisch de haven in, maar kwam er snel achter, dat de plekjes achterin voor jachteigenaren met een lager budget bedoeld waren. Hij dreef even besluiteloos door het haventje en besloot toen te draaien. Met een luid gierende boegschroef lukte dat net. Ik zuchtte. Met zo’n boegschroef is er niks meer aan. Dan kan iedere dombo zijn schip op een plekkie parkeren. Ik begon net aan het caramel-zeezout bolletje, toen er een wat kleiner scheepje naar binnen kwam. Het was zo te zien een snel ding, met een van voren naar beneden afbuigend dek. Achteraan was er een zwemplateau, laag bij het water, hetgeen het aan boord komen na een zwempartij moest vergemakkelijken. Op dat zwemplateau stond een blonde dame van middelbare leeftijd volkomen nutteloos te zijn met een stuk touw in haar handen. De boot draaide vooruit een box in en aan de achterkant was nergens een touw aan vast te knopen. Net als aan de aanwezigheid van de blonde matroos.
Voorop kroop een vrouwelijke puber met een erg ongeïnteresseerde kop (Maar dat zegt weinig, vrouwelijke pubers hebben ALTIJD een ongeïnteresseerde kop) en ook een stuk touw in haar handen. Ik ging er eens goed voor zitten. De schipper, duidelijk herkenbaar aan de felwitte kapiteinspet op zijn kalende knar, manoevreerde het lelijke geval de box in. Ook bij dat kleine bootje klonk het gegier van een boegschroef. Ik moest glimlachen. Vroeger, (Opa vertelt) voeren wij met een botter van 15 meter probleemloos iedere haventje binnen. Zonder boegschroef. En deze stoethaspel kreeg zijn pieremagoggel van net 8 meter met moeite tussen een paar paaltjes door met zo’n gierend geval.
Dochterlief sprong bevallig met haar ongeïnteresseerde hoofd en het touwtje in haar handen van boord op de steiger, draaide zich om en zag en het bootje door de kracht van haar afzet weer terugdrijven. Ze had er even niet aan gedacht het einde van het touwtje eerst aan de boot vast te maken, vóórdat ze er af sprong. Ze keek verbaasd beurtelings naar het touwtje in haar handen en vervolgens naar de wegdrijvende boot. Ze was net zo blond als haar moeder. Onze schipper had een box uitgezocht juist vóór een vol terras, en het gegniffel was wellicht niet hoorbaar, maar zeker merkbaar. Het wicht nam een sprong en haalde, tot grote teleurstelling van het gehele terras en vooral van mij, nét het voordek. De kapitein voer zachtjes achteruit en ging een ander plekje zoeken, waar wat minder publiek was. Vreemd genoeg zonder dat er een woord gezegd werd.
Ik was halverwege mijn yoghurt-ijs met limoncello, toen er eindelijk een plekkie gevonden werd en er nu wat minder problematisch werd afgemeerd. Ondertussen stond moeder de lichtmatroos nog steeds met haar touwtje op het zwemplateau. En nog steeds was daar geen touw (aan) vast te knopen.