Op de middelbare school zat hij naast me. Bennie noemde we hem, terwijl hij gewoon Peter van Bennekom heette. Maar Menno Poldermans noemden we ook Pol, dus die naam was op zich niets geks. Bennie was een beetje een stille jongen, met altijd hetzelfde colbertje aan, en kort vet haar. Meestal lieten we hem gewoon met rust. In die tijd werd er niet zo hevig gepest. Alleen een klein beetje plagen.
“Gefeliciteerd met je verjaardag, Bennie!” deed het altijd wel goed, want de van Bennekommetjes waren Jehova-getuigen. “Ik ben niet jarig!!” brieste hij dan. “O, sorry, Bennie, maar wanneer ben je dan wel jarig?” kwam er dan steevast als plaagvraag achteraan. “Ik ben nooit jarig, hoe vaak moet ik dat nog zeggen!” Dan hadden we hem echt op de kast.
Maar we deden dat maar heel af en toe, net als het wachttorentje uit zijn tasje pikken. Dat was plagen, meer niet.
We kregen toendertijd geschiedenis van Dhr. Buurman. Deze brave borst hield zich met een behoorlijke dosis valium net staande als docent. Wanneer het moeilijk voor hem werd, dook hij het kabinetje achter zijn lokaal in om een rustgevend tabletje tot zich te nemen. Deze leraar deed erg zijn best populair gevonden te worden en had bedacht, dat hij iedere leerling persoonlijk wilde feliciteren met zijn of haar verjaardag. Ook als je geen les van hem had. Hij loerde iedere dag over de gangen of hij een jarige zag en sprintte dan op zijn prooi af om die uitvoerig te wijzen op diens verjaardag.
Dat was onze kans. Op een dag gingen we quasi nonchalant bij de beste man langs en vroegen hem, of hij Bennie al gefeliciteerd had. Hij verstijfde, “van Bennekom, maar die is toch vandaag helemaal niet jarig?” stamelde hij en hij spurtte zijn kabinetje in om in zijn leerlingenlijst de geboortedatum van ons slachtoffer op te zoeken. Even later kwam hij triomfantelijk terug met de mededeling, dat Bennie op 5 december pas jarig was. Wij gierden van binnen van het lachen, want Sinterklaas is nog zo’n taboe bij de Jehova’s getuigen.
Niet lang daarna was het de grote dag en we hadden met de hele klas gelapt en voor Bennie een pakje vulpenvullingen gekocht. Hij was de enige in de klas, die nog met een ouderwetse vulpen schreef. Keurig ingepakt, en vanwege de sinterklaas ook nog een gedicht erbij.
Dat gedicht hadden we niet hoeven doen, want Bennie gooide het woedend weg, terwijl hij de vulpenvullingen achteloos in de zak van zijn colbertje liet glijden met de woorden: “Niet leuk, helemaal niet leuk!” Wij konden er wel om lachen.
Later, in de pauze, ging het pas echt mis. We hadden even niet op Dhr. Buurman gerekend. Deze kreeg Bennie in het vizier en kwam al met uitgestoken hand op hem af om hem te feliciteren. De jarige vluchtte met de docent snelwandelend achter zich aan, vloog de bocht om bij de aula, raakte in een slip op de gladde vloer en ging onderuit, met zijn volle gewicht op de zak van het colbertje met de inktpatronen. De geschiedenisdocent hielp hem overeind: “Je hebt je toch geen pijn gedaan?” Bennie voelde aan zijn heup en bekeek vervolgens vol afgrijzen zijn hand. Blauw. Alle inktpatronen waren bij de val gesneuveld. Inmiddels waren wij ook genaderd en iemand zei: “Heb je blauw bloed, Bennie. Dat had je wel eens mogen zeggen!” Het slachtoffer keek inmiddels beteuterd naar de inmiddels enorme inktvlek op de zak van zijn jasje. “Nou, wanneer je moeder dat vanavond ziet, ben je nog niet jarig!”, zei een ander. Toen Dhr. Buurman hem vervolgens ook nog uitvoerig feliciteerde met zijn verjaardag, vluchtte ons slachtoffer richting toilet. Onder bulderend gelach.
Die inktvlek is nooit meer uit dat jasje gegaan. Maar hij bleef het wel dragen. Iedere dag leek het net of die vlek mij verwijtend aankeek, want ik had toch wel een beetje spijt van mijn geplaag.