Antwoordbrief

Beste ome Arie,

Bedankt voor je brief. Ik wilde je verjaardagsgebakje best wel invriezen maar vroeg me af of moorkoppen na ingevroren te zijn wel positief zouden ontdooien. Dus heb ik het toch maar zelf opgegeten. Voor onze volgende ‘banksessie’, als de storm weer wat is geluwd, en het weer het weer toe laat om ons pijpje te roken koop ik wel nieuwe. Over ontdooien en stormen gesproken: is de lucht tussen jou en Riek alweer wat opgeklaard en de wind weer een beetje gaan liggen? Of slaap je nog steeds op de bank?  Ik moet je wel waarschuwen voor het alternatieve standje welk je op wereldvrouwendag voorstelde. (“Vooruit, vanwege wereldvrouwendag mag jij vanavond bovenop!”)  Mocht er toch ooit een welkome onderbreking komen in jullie ‘intieme pauze’ dan raad ik je aan dit niet op de door jou op die rampzalige dag voorgestelde wijze te doen. Een vriend van mij, ook op leeftijd, net  zoals wij, maakte ooit deze benaderingsfout en moest dat bekopen met een hele week op de bank slapen, omdat hij, nog vèr voor enig hoogtepunt, als eerste luid snurkend in slaap viel. En toen zijn begripvolle en nog wakkere echtgenote hem oraal weer in enigerlei staat van opwinding trachtte te krijgen resulteerde dit ook slechts in een uiterst teleurstellende slappe hap. Over hoe ze hem vervolgens toch wakker heeft gekregen teneinde hem naar de bank te verbannen zal ik maar niet uitweiden… Maar bedenk dus goed wat je wenst!

Ik hoop, dat alles weer goed komt en dat ik je snel weer bij de haven zie, met vriendelijke groet,

Meneer Ype

Brief van ome Arie

Beste meneer Ype,

Morgen kan ik niet naar de haven komen om samen met u een pijpje te roken. Daarom schrijf ik u deze brief. En om u te feliciteren met uw verjaardag. Eigenlijk wilde ik u eerst een kaartje sturen, maar Riek vond, dat ik daar geen rouwkaart voor mocht pakken. Volgens haar hebben we die bovendien binnenkort nodig voor buurman Krelis, want die schijnt slecht te liggen. En een kaart met gefeliciteerd met uw 40-jarige huwelijk vond ze ook niet kunnen. Dus dan maar gewoon een brief, want een ander kaartje kopen is door de corona ook erg moeilijk. Het schrijven van een brief is voor mij erg lastig, ik hoop dat u mij mijn fouten niet kwalijk neemt. Riek controleert normaal mijn brieven, maar ze is een beetje boos op me. Dat is ze al een paar dagen. Sinds ‘wereldvrouwendag’. Ik maakte alleen maar een grapje, maar soms heeft ze geen gevoel voor humor. Ze zat de hele tijd over die ‘vrouwendag’ te emmeren, en dat de overige dagen van het jaar allemaal ‘mannendagen’ waren. En ik was dat een beetje zat en zei toen alleen maar: “nou, vooruit, vanwege die vrouwendag mag jij vanavond bovenop!” Het was alleen maar een grapje, echt, meneer Ype, want op dat gebied doen we al tien jaar niks meer. Maar toen werd ze boos. Dus nu slaap ik al twee nachten op de bank. Ik ben gebroken. 

Hoogachtend, ome Arie

Ps. Wilt u het gebak ter gelegenheid van uw verjaardag voor mij invriezen tot de volgende keer in de haven?

Schijnzwanger

Het was koud. Stervenskoud. Desondanks zat ome Arie gewoon op ‘ons’ bankje aan het pittoreske haventje van Oud-Beijerland. Met zijn winterpet met zijflappen voor zijn oren en een sjaal om zijn nek. Teckel Joseph zat naast hem balend in zijn coltruitje zijn geslacht te likken. Een nogal onsmakelijk gezicht. Ondanks de kou besloot ik toch tot een pijpje. Ik parkeerde mijn autootje (voor de scooter had ik het te koud gevonden) en voegde me bij de bank-bikkels. Ome Arie groette me en Joseph deed een kwispel. Ik pakte mijn pijp en mijn tabak en bereidde mijn rookgenot voor. Ome Arie probeerde Joseph af te leiden teneinde een eind te maken aan het onsmakelijke piemelgelebber. “Hier, een snoepje, rothond!” De teckel nam de versnapering met een klein kwispeltje aan. “Ja, kwispel maar, Don Juan!” Het beest keek verwachtingsvol of er nog meer te bikken kwam en begreep natuurlijk niets van hetgeen de oude boer zei. Het was ook meer voor mij bedoeld. “Laatst kwam ik op onze avondwandeling die kale baard met zijn pitbull tegen en die begon weer een heel gesprek…” Ik herinnerde me het verhaal over de pitbull (zie eerder verhaal: pitbull): “Allemaal complottheorieën, ome Arie?” “Nee, gelukkig niet. Hij liet daar, midden op straat, zijn tatoeages zien, ook een hele grote op zijn rug!” Ik keek vragend. “Hij trok zijn jas, trui en hemd uit en draaide zijn blote rug naar me toe. Genant. Vooral, omdat Feyenoord verkeerd gespeld was! Met een i en een j: Feijenoord” Ik schoot in de lach. Ome Arie glimlachte ook: “Het staat op zijn rug en ik vermoed, dat ik niet de enige ben, die er niks over durft te zeggen.” Er kwam nu een vals grijnsje op zijn gezicht: “Ik heb alleen langs mijn neus weg gevraagd of die tattoo in Amsterdam gezet was!” Nu lachte hij hardop, “En dat was nog wààr ook!” Nu lachten we allebei. We genoten even van onze pijp. “Hoe lang blijft Joseph bij jullie, ome Arie?” De aangesprokene keek nu wat bezorgd: “Niet al te lang meer, hoop ik, want volgens die pitbull-hooligan was zijn hond waarschijnlijk schijnzwanger.” “Schijnzwanger?”, vroeg ik, me de amoureuze escapades van Joseph herinnerend. Ome Arie knikte en Joseph keek de andere kant op. “En wij zijn bang, dat dat ‘schijn’ maar schijn is, hè, Joseph!” Ik probeerde niet te lachen. Ome Arie keek bezorgd: “en ik denk niet, dat onze Feyenoordsupporter blij gaat zijn met een nest pitbull-teckels! Dan kom ik hem liever niet meer tegen…” 

 

Hoorapparaat

Het was al even geleden, dat ik in de haven was geweest en daar Ome Arie had gezien. Hij leek blij me weer te zien: “Goeiemorgen, meneer Ype, tijd niet gezien. Toch niet ziek geweest?” Zelfs de naast ‘ons’ bankje liggende teckel Joseph kwispelde even begroetend. “Gelukkig niet, ome Arie. Gewoon druk met van alles!” Hij knikte quasi-begrijpend en stak zijn pijp op. Ik volgde zijn voorbeeld en we snoven de voorjaarslucht vermengd met de fijne melange uit onze pijpen genietend op. Toen zag ik het: een minuscuul, maar wel goed zichtbaar slangetje in zijn oor. Het was me nooit opgevallen, dus stomverbaasd vroeg ik: “Sinds wanneer heb je een hoorapparaat, ome Arie?” Er kwam een brede grijns op zijn verweerde kop: “Sinds een paar dagen!” Hij draaide zijn hoofd om ook zijn andere oor te tonen. Heel gelukkig. “Ik kan het iedere man aanraden!” “Maar ik heb nooit gemerkt dat je gehoor minder was?” Ik was oprecht verbaasd. “Daar is ook geen sprake van!” De grijns groeide. Zoals zo vaak had hij me volledig sprakeloos gekregen. “Het is hèt hulpmiddel voor een goed huwelijk. Ik had het jaren eerder moeten aanschaffen!” De sprakeloosheid bleef. Om het effect te versterken trok ome Arie aan zijn pijp. “Begrijp me goed, meneer Ype, ik ben echt nog steeds gek op mijn Riek,” Weer een trek en een enorme rookwolk als gevolg. Toen kwam de onvermijdelijke ‘maar’: “maar in haar familie mochten vrouwen nooit ergens over meepraten. En Riek heeft de neiging het zwijgen van tientallen generaties vrouwen vóór haar in haar eentje te compenseren!” Ik schoot in de lach om deze typische ‘ome-Arie’ opmerking. “Daar hoor ik veel mannen over klagen…” antwoordde ik, “maar wat heeft dat hoorapparaat daarmee te maken?” Ome Arie keek samenzweerderig om zich heen en fluisterde, ondanks de onmogelijkheid, dat iemand hem zou kunnen horen: “Er zitten helemaal geen batterijen in!” En leunde weer zelfgenoegzaam achterover. Ik begreep hem totaal niet en keek waarschijnlijk erg dom. Ome Arie boog weer voorover: “wanneer ik nu niet of verkeerd antwoord op dat geklets van haar wordt ze niet boos, zoals vroeger, maar gaat ze zoeken naar nieuwe batterijtjes en wanneer ze deze niet kan vinden zet ze ‘nieuwe batterijen voor Arie’ op het boodschappenlijstje.” Tevreden zakte hij weer achterover: “En ik heb de rest van de avond rust!” “Maar waarom kan ze die batterijtjes dan niet vinden en haalt ze er niet gelijk een heleboel?” Ik was oprecht verbaasd. “Die gooi ik weg of ik verdonkeremaan ze. En als ze er naar vraagt schud ik mijn hoofd en mopper, dat die ziekenfonds-apparaatjes batterijen vreten…”

Dierenarts

Joseph en ome Arie waren al bij de haven, toen ik, goedgemutst, met mijn scootertje kwam aangereden. De teckel zat achter zijn oor te krabben met zijn achterpoot. Ook ome Arie krabde zich net even achter het oor, alleen deed hij dat met zijn voorpoot. Ik moest er een beetje om grinniken. Na een week gingen ze al een beetje op elkaar lijken. “Goeiemorgen, ome Arie!”, groette ik. De oude boer tikte als groet met zijn pijpmondstuk tegen de rand van zijn pet. Het zonnetje scheen wat bleekjes door de dunne sluierbewolking. Ik was blij, dat ik toch een jas had aangedaan, want de wind was fris. “Zo, dus Joseph weer terug van zijn weekendverlof!” begon ik een gesprek. “Praat me er niet van, meneer Ype! Ik ben gisteren al met hem naar de dierenarts geweest.” Ik pakte mijn pijp en ging er eens goed voor zitten, want er kwam weer wat. “Dat moest van Agaath!” Zoals altijd sprak hij de naam van zijn schoonzus met enig misprijzen, bijna walging, uit. “De dierenarts, ome Arie, wat is er met hem?” Ome Arie zei heel zachtjes, alsof hij zich er voor geneerde: “Ontstoken, eh, piemeltje…” en keek wat schichtig om zich heen, of iemand het gehoord had. Ik lachte niet om het hem niet nóg moeilijker te maken. Toch kon ik het niet laten om plagerig tegen het teckeltje te zeggen: “van de wc-bril zeker, Joseph!?” Ome Arie kon er niet om lachen: “Ja, maak er maar grappen over, meneer Ype. Ik kon er niet om lachen, vooral niet, omdat ik bij de dierenarts die getatoeëerde kale baard met zijn pitbull tegenkwam…”(zie verhaal ‘Pitbull’) Hij keek weer om zich heen, bang voor meeluisteraars: “Toen ik belangstellend vroeg wat er met zijn hond was werd die grote vent helemaal rood en fluisterde, dat ze een ontstoken je-weet-wel had!” Nu kon ik mijn lachen heel moeilijk inhouden. “Toen hij dezelfde vraag aan mij stelde heb ik maar gezegd dat Joseph voor zijn gewone inentingen kwam!” Ik schoot nu in de lach. Ome Arie kwam wat dichterbij en fluisterde: “Zouden hondjes ook Soas kunnen krijgen? U weet, dat Joseph en die pitbull, eh…” Hij gebaarde veelbetekenend richting hond. Joseph leek schuldig omhoog te kijken. Ome Arie fluisterde: “Ik ben ‘m stiekem gesmeerd en naar een andere dierenarts gegaan!” Nu hield ik het helemaal niet meer en gierde het uit. “En wat zei die, ome Arie?” vroeg ik toen ik uitgelachen was. “Ik heb het maar niet over de one-night-stand van Joseph gehad, meneer Ype.” Hij stak zijn pijp opnieuw aan, daar deze door alle emotie was uitgegaan. “We hebben een zalfje voor zijn jongeheer gekregen en hij heeft een spuit in zijn donder gekregen. Dat zal hem leren!”

Door het oog van de naald

Door het oog van de naald
Stiekem de grootste lol
De schuur nokkie vol
Drank en sjans
Muziek en de dans
Net op tijd ontsprongen
door het oog van de naald
Wij zijn heiliger
Dan de wet
Bij God veiliger
Zingen wij in koor
Wij zullen ontspringen
Door het oog van de naald
Kruipt de buurman
Over de grond, bijna dood
Hoe het kan?
Hij haat muziek
maar ontspringt ternauwernood
Door het oog van de naald
Over een jaar
Nog bij elkaar?
De dans ontsprongen
Kerngezond?
Of met z’n allen
Gezellig onder de grond…

Controle

Het was prachtig weer. Ik was even met mijn scootertje een stukje door de polder gereden vóór dat ik naast ome Arie op òns bankje bij het mooie haventje aan het Spui ging zitten. De oude baas zat tevreden zijn pijp te stoppen. “Je kunt de lente gewoon ruiken, meneer Ype, heerlijk; voor de boeren is het de geur van de hoop! De hoop op een goed jaar, op een goede oogst!” Ik knikte, de meststank was mij tijdens mijn ritje inderdaad ook opgevallen. En de keurig voorbewerkte akkers, klaar om aan een nieuw gewas te beginnen. Bijna gelijk staken we onze pijpjes aan. “Binnenkort worden de avonden weer langer, heerlijk! Wanneer dan die avondklok weer wordt opgeheven kunnen we ook ‘s avonds nog even langs de velden fietsen en genieten van het voorjaar…” Hij snoof met zijn ogen dicht een diepe haal lucht in, alsof het al zo ver was. Ook ik verlangde naar het nieuwe seizoen. Twee tevreden ouwe baasjes op hun bankje bij de haven rookten hun pijpje en genoten van het leven. “Waar is Joseph, ome Arie?” vroeg ik. Het viel me nu pas op, dat hij zonder teckel was. “Die is met Riek mee op bezoek bij schoonzus Agaath. Die miste dat mormel.” Ik begreep dat wel. “En dan haalt Riek hem maandag weer op. Dus dit weekend geldt de avondklok ook gewoon voor mij!” Hij knipoogde. “Ach, wie controleert er nou?” zei ik, en ik nam een trekje van mijn pijp. De heerlijke geur van tabak verschafte me het gewenste genot. Hoe ongezond het ook mocht zijn. “Nou, dat moet u niet zeggen, meneer Ype, want Joseph en ik zijn heus deze week gecontroleerd!” Hij klonk nog een beetje verontwaardigd. “Twee handhavers hielden me staande en vroegen, of Joseph een hond was!” Ik schudde verbaasd mijn hoofd: “Dat meen je niet, ome Arie! Dat zie je toch gelijk?” Ome Arie knikte: “Ze vroegen of dat beest van mij was, en toen ik vertelde, dat hij van mijn schoonzus was, wilden ze weten of die ook in de Hoeksche Waard woonde en waar precies, zelfs haar adres! Dat hadden ze nodig om te controleren!” Ik zat hem nu met open mond van verbazing aan te kijken: “Maar dat slaat toch nergens op? Je mag toch ‘s avonds gewoon je hondje uitlaten?” Ome Arie knikte: “Dat zei ik dus ook en ik vroeg wat dat allemaal met de avondklok te maken had!” Hij blies een grote wolk rook uit, alsof hij stoom afblies. “En, wat hadden ze daarop te zeggen!?” vroeg ik, nu ook hoogst verontwaardigd. Ome Arie keek me aan: “Niets!” “Niets, hoezo niets?” Ome Arie keek weer vóór zich: “ Het had niets met de avondklok te maken. Ze waren van de hondenbelasting…”

Pitbull

De eerste lente-symptomen dienden zich aan: teckel Joseph liep zonder coltruitje buiten en ome Arie rookte pijp zonder handschoenen aan. Ze waren naar ons mooie haventje gewandeld en blij mij daar te zien. Joseph kwispelde en ome Arie groette me met een glimlach en tikte daarbij aan zijn pet: “Goeiemorgen, meneer Ype!” “Goeiemorgen ome Arie!”, antwoordde ik en ik gaf teckel Joseph een aai over zijn kop. Ik genoot al een tijdje van mijn pijp en het uitzicht. Ome Arie ging op ons bankje zitten met Joseph op de grond naast zich. Teckels kunnen ‘nonchalant’ zitten: met de achterpootjes niet recht onder het achterlijf, maar iets opzij, als een mens met de knieën over elkaar. Ik bekeek het met verbazing. Joseph bleek rechts-zittend. Hij hield duidelijk rekening met een langdurige wandelpauze. En berustte daarin. “Eindelijk weer een beetje weer om naar onze vaste stek te komen”, opende ik het gesprek. “Zo is ‘t, meneer Ype, zo is ‘t!”. Mijn gesprekspartner zat weer helemaal op zijn gemak en blies tevreden wolkjes uit. “Wanneer je met zo’n beest aan een touwtje rondloopt ontmoet je de vreemdste types.” Ik knikte, want ik kende het fenomeen. “Maar of je daar altijd blij mee moet zijn…”, antwoordde ik veelbetekenend. Ome Arie knikte: “Wat u zegt, meneer Ype! Gisteren nog. Een enorme kale baard met tatoeages en een pitbull. Doortje.” Ik glimlachte: “Zo heette de pitbull, neem ik aan?” Ome Arie knikte: “Hoe die baard heette weet ik niet. Maar die ging uitgebreid vertellen over zijn kickboks overwinningen en daarna kwamen er allerlei complottheorieën over de Corona!” Hij zuchtte: “Na de nogal gewelddadige inleiding durfde ik hem niet tegen te spreken, dat begrijpt u wel, meneer Ype!” Ik begreep het. Ome Arie wees op Joseph: “Die vent had Doortje even losgelaten, zodat ze op het veldje kon rondrennen. Dus ik maakte Joseph ook maar los. Maar of dat nou zo’n goed idee was!?” Hij nam een trekje aan zijn pijp. “Rothond!”, mompelde de oude boer vervolgens, naar de teckel kijkend. Joseph keek schuldbewust terug, voor zover teckels schuldbewust terug kunnen kijken. “Die twee honden bleken het uitstekend met elkaar te kunnen vinden. Heel erg goed zelfs!” Ik begon een angstig vermoeden te krijgen. “Terwijl die tattoo-figuur uitgebreid uit de doeken stond te doen hoe onze regering ons manipuleert en de Corona misbruikt om ons onder de duim te houden, zat achter hem Joseph bovenop Doortje te rijden! Hoe ‘ie het voor mekaar kreeg met die korte poten snap je niet; volgens mij was Doortje voor hem door haar kniëen gegaan.” Ik schoot in de lach.“Gelukkig was die rot-teckel nėt amechtig van haar afgestegen, toen de baard zich na dat onzinnige verhaal omdraaide en zijn pitbull weer riep: “Doortje, hier!” En tegen mij: “We gaan weer eens op huis aan!” De pitbull kwam natuurlijk direct. En Joseph slofte er zowaar hijgend achteraan. “Slechte conditie, die teckel van u, meneer!” zei die kale nog, “Dat gaat ons niet gebeuren, hè Doortje; wij trainen iedere dag! Wìj laten ons door die Corona mooi niet naaien!” Ome Arie had een gemeen grijnsje op zijn verweerde kop: “En ik zweer u, meneer Ype, die rot-teckel zat volgens mij stiekem te lachen!”

Joseph 2

Het dooide dikke druppels. Slechts hier en daar lag nog een restje sneeuwpop en het verkeer was weer als vanouds. Onderweg voor een boodschap zag ik ome Arie. Mèt teckel Joseph (Zie mijn vorige verhaal ‘Joseph’). Laatstgenoemde wederom gehuld in zijn bontgekleurde coltruitje. Mijn nieuwsgierigheid won het van mijn haast om vers brood te halen dus ik parkeerde mijn gouden koets. Ome Arie had weer gewoon zijn pet op en zijn klompen aan. Hij wist inmiddels, dat hij toch wel aan zijn grijze krullen herkend zou worden. Al zou hij een jurk aantrekken. “Goeiemorgen, ome Arie!”, groette ik. Hij groette terug, waarbij hij aan zijn pet tikte. Hij had een pijpje in zijn mond en leek het leven wel te omarmen, ondanks de aanwezigheid van Joseph. Ik wees naar het kleurige worstenbroodje en keek ome Arie vragend aan: “Is de logeerpartij niet doorgegaan?” Ome Arie nam een trekje aan zijn pijp. “Jawel!” Klonk het vrolijk, “hij is één nachtje weg geweest.” Joseph snuffelde aan een struik en toen deze was goedgekeurd tilde hij parmantig zijn achterpoot omhoog voor een plas. “En toen hebben ze hem weer teruggebracht!” Het kwam er vrij vrolijk uit. “Riek vond een paar weken het beest uitlenen zeker ook geen goed idee?”, raadde ik op goed geluk, want ik vermoedde bij het ontstaan van het idee om het mormel uit te lenen aan een verliefd stel met als enig doel het omzeilen van de avondklok al, dat ome Arie’s wederhelft hier niet zo blij mee zou zijn. Ome Arie grijnsde: “Riek was razend! Ze vond het niet kunnen tegenover haar zus. Het is immers haar hond!” Ik knikte begrijpend; dat viel te verwachten. “Maar inmiddels begrijpt ze het!” Hij nam vergenoegd een diepe haal rook en de grijns bleef. Ik begreep er niets van. “U :moet weten, meneer Ype, dat Joseph een vervelend verwend kolere-teckeltje is. En jalóers, niet te geloven!” Het hondje leek ons nu heel schuldbewust aan te kijken. “Hij kan er niet tegen, dat anderen aangehaald worden. Wanneer die vrijer van mijn kleindochter iets te aanhalig werd, ging hij blaffen en tegen hem opspringen. Dus van een romantisch Valentijns-avondje is weinig gekomen!” Hij lachte nu hardop. “Bovendien heeft hij, toen ze de gang in gevlucht waren om te zoenen, een halve pizza opgevreten…” Nu lachte ik ook. “En die heeft’ie ‘s nachts bij vriendje Derk thuis uitgekotst. De volgende morgen stond die knul al om negen uur bij ons voor de deur met teckel Joseph en al diens spullen!” Ik kon er wel om lachen. “Maar niet voor het één of ander, ome Arie, jij wist zeker, dat dat beest zo vervelend zou zijn?” Ome Arie knikte en zei, toen hij uitgelachen was: “Ik mag nog niet eens bij Riek in de búúrt  komen, of hij begint al zo te klieren!!” En met een vette knipoog: “ik was blij, dat het mormel op Valentijns-avond weg was….”

Joseph

Vanwege mogelijke gladheid liep ik uiterst voorzichtig langs de vijver vlakbij mijn huis om wat foto’s te maken van de ijspret, toen ik een duistere gestalte zag. Diep in zijn jas gedoken, een zonnebril op, zonder pet en op onopvallende schoenen in plaats van op klompen. Ome Arie. Hij keek schichtig om zich heen en voelde zich duidelijk betrapt toen ik hem groette: “Goeiemorgen, ome Arie!” “Sssst, zachtjes!” fluisterde hij, “straks ziet iemand me!” en hij keek al een beetje betrapt. Toen zag ik de reden van zijn schaamte: hij had de teckel van schoonzus Agaath weer bij zich. Het worstenbroodje had nu een coltruitje aan! Een fel gekleurd zelfgebreid wollen geval, met een gat voor het vrolijk zwaaiende staartje en ruimte rond het piemeltje, zodat het beest ongehinderd de achterpoot kon optillen voor een plas. Ik moest moeite doen om mijn lachen in te houden. Ome Arie zag me kijken en keek me aan met een dieptrieste blik. “Erg, hè!” zei de oude boer, “en daar laten ze mij mee buiten lopen!” Ik kreeg toch een beetje medelijden met hem. “Maar eerder deze week had hij dat geval toch niet aan?” Ome Arie schudde het grijze hoofd: “nee, toen had ik hem in zijn adamskostuum meegesmokkeld. Maar dat is me nu dus niet gelukt…” Inmiddels besloot het coltruitje er een flinke drol uit te persen. Ome Arie en ik keken vol walging naar de voor zo’n klein hondje imposante dampende hoop. Zoals het hoort pakte het baasje de poep op met een speciaal poepzakje. Hij stond er een beetje ongemakkelijk mee in zijn grote knuist en keek zoekend rond naar een prullenbak. Gelukkig bleek er niet ver bij ons vandaan één te staan, vlakbij het ijs. We liepen er naartoe. Op dat moment werd ome Arie gespot: “Hey, opa Arie!” Een jongedame kwam op ons af geschaatst. “Ik had u bijna niet herkend, zo zonder klompen en zonder pet!” Ome Arie zuchtte. “En is dat Joseph?” Ze wees op het mormel in zijn truitje. “Joseph!?”, vroeg ik. Ome Arie had die naam al die tijd voor me verborgen weten te houden. “Naar Joseph Luns, vanwege zijn enorme neus…” Ik kon er wel om lachen. Het meisje zat inmiddels op haar hurken Joseph te knuffelen. Het beest kwispelde luid van herkenning. “Maar waarom loopt u met Joseph, opa? Is er iets met tante Agaath?” Ze werd op de hoogte gebracht van het gebroken been van haar oudtante. Het was een mooie meid van een jaar of achttien, maar ik ben nogal slecht in het schatten van leeftijden. Zeker wanneer alles zo goed ingepakt zit. Een knul kwam onze kant op geschaatst. “Kijk, opa Arie, dat is Derk, mijn vriend!” Ze was duidelijk trots op haar verovering. “Hij heeft bonbons voor me gekocht! Voor Valentijnsdag!” De knul was met veel opspattend ijs-schraapsel bij ons tot stilstand gekomen en stelde zich voor. Ome Arie bekeek hem, ietwat geringschattend, en bromde: “goed zo, zorg maar heel goed voor mijn favoriete kleindochter!” De knaap keek het wicht heel verliefd aan: “natuurlijk, meneer!” Ome Arie leek tevreden over dit antwoord. Het stel stond nu dicht tegen elkaar. “We waren  vanavond graag samen geweest. Pizzaatje eten en filmpje kijken, maar vanwege de avondklok moet Derk om negen uur weer thuis zijn!” En nog meer teleurgesteld: “En van mijn ouders mag hij nog niet blijven slapen.” Ome Arie knikte goedkeurend. Inmiddels zat Derk op zijn hurken met Joseph te spelen. Opeens kwam er een klein grijnsje om ome Arie’s mond: “Woont Derk op loopafstand bij jou vandaan?” vroeg hij zijn kleindochter. Ze knikte. Het grijnsje werd iets breder en een tikkie vals: “jullie mogen Joseph wel een paar weekjes lenen, dan kunnen jullie ‘s avonds wat langer bij elkaar blijven!” Het stel begreep direct wat hij bedoelde. De teckel was dè oplossing om onder de avondklok uit te komen! Ze gingen gelijk hun schaatsen uitdoen om de spullen van Joseph op te gaan halen. Ome Arie gaf een rukje aan de lijn van onze Cupido: “kom op, mooie jongen, we moeten het goede nieuws aan Riek gaan vertellen!” Samen gingen ze huiswaarts. Ik vroeg me alleen af hoe de reactie van het thuisfront op dit mooie plan zou worden. Ik hield mijn hart vast…