Celeb Arie

“Meneer Ype, u bent toch een soort van schrijver?” Ome Arie had net zijn pijp aangestoken en keek vragend mijn kant op. Ik moest glimlachen om zijn woordkeuze en antwoordde: “Inderdaad, ome Arie; ‘een soort van’. Af en toe schrijf ik wel eens korte verhaaltjes zoals een ander na z’n pensionering gaat schilderen of fotograferen.” Het antwoord leek bevredigend, want hij trok tevreden aan zijn pijp en keek een dame, die heftig hardop pratend voorbij beende, verbaasd na. “Aan het bellen”, legde ik uit, “en zo te horen geen prettig gesprek!” Ook ik heb er soms moeite mee, dat ik ongewild deelgenoot gemaakt word van allerlei privé besognes van wildvreemden. Ome Arie schudde zijn hoofd, alsof hij mijn gedachten kon lezen en  begreep. De dame was op het bankje naast ons gaan zitten en ook het gesprek leek tot rust gekomen. “Waar ik ben? Ik zit op een bankje bij de haven…” Het was even stil. Ze had een oortje in, dus moesten we naar het antwoord raden. Ome Arie besteedde er verder geen aandacht aan. “Maar wat doet u dan met die stukkies, meneer Ype?” Het leek hem te intrigeren. “Die zet ik op mijn website (swartboek.nl) en op facebook”. De oude boer blies een wolkje rook uit. “En wordt zoiets dan nog gelezen ook?” Hij zei het op een toon alsof hij het zich amper kon voorstellen. Ik knikte: “Meestal door zo’n dertig fans…” Ome Arie verbaasde zich en glimlachte, maar dit was geen minachting, eerder vriendelijke erkenning. Hij zweeg even. De beldame keek even opzij en fluisterde vervolgens iets geheimzinnigs in de telefoon, die ze nu in haar rechterhand beet had. Ze keek daarbij, alsof ze het over ons of één van ons had.  Weer fluisterde ze. Ik meende, ondanks onze onderlinge afstand, te begrijpen, dat ze, doelend op ome Arie, “Hij is het ècht!” fluisterde. Het leek aan onze boerenvriend voorbij te gaan. Hij rookte zijn pijp in diepe gedachte, tot hij uit die diepte me aankeek en vroeg: “Kom ik ook wel eens in die verhaaltjes voor, meneer Ype?” Ik nam een grote trek van mijn pijp, blies een evenredige wolk rook uit en loog zachtjes: “Maar een enkele keer, ome Arie!” Ondertussen probeerde de belster met haar mobieltje een foto van mijn bankgenoot te nemen.

Fietsbreuk

Ziekenhuisbezoek is niet bepaald mijn favoriete bezigheid, maar soms kom je er niet onderuit. Zo ook op die regenachtige dag. Met een bosje BéPé- fresia’s, vers gescoord bij een tankstation, liep ik de majestueuze entree van het ziekenhuis binnen. Ik werd verwelkomd door een vriendelijke stropdas, die me wees op de handen-ontsmettings-paal, die zeer prominent aanwezig stond te zijn. “Hier kunt u uw handen ontsmetten en wilt u in het ziekenhuis alstublieft een mondkapje dragen?” Ik voldeed natuurlijk aan zijn verzoek. Toen ik mijn mondkapjes-elastieken achter mijn oren friemelde zag ik opeens, schuin achter de anti-corona-paal, een paar klompen staan. Onbeschilderde blanke klompen, zoals ome Arie ze altijd droeg. (“Al die tierelantijnen hoeven van mij niet zo!”. Ik hoorde het hem zeggen…) De vriendelijke stropdas zag me kijken en glimlachte: “Die zijn van een hele aardige oude boer, die bang was, dat hij met klompen áán te veel herrie zou maken voor de zieken! Daar kunnen veel dames met hoge hakken nog een voorbeeld aan nemen.” Dat moest ome Arie geweest zijn. “Hij vroeg, of ik er een beetje op wilde letten…” Ik knikte begrijpend: “Ja, want je wilt niet op je geweten hebben, dat ome Arie op zijn geitenwollen sokken naar huis moet!” “Ome Arie! Inderdaad, hij zei dat hij zo heet: ome Arie! Kent u hem?” Ik knikte. “Gelukkig wel, meneer, gelukkig wel!” Ik haalde het bosje fresia’s onder mijn arm vandaan. Daar zaten ze, omdat ik zo gauw geen andere plek kon bedenken om mijn handen vrij te hebben ter ontsmetting. Het resultaat was een oksel, die naar benzine rook. Gelukkig was de zieke, die ik ging bezoeken ook aan haar neus geopereerd. Ik wandelde richting lift, toen ik een oude boer met een pet op en op geitenwollen sokken op me af zag komen. Ome Arie. “Meneer Ype! U ook hier? Toch geen narigheid in uw familie, hoop ik?” De zorgelijke belangstelling was niet geveinsd. Ik schudde ontkennend mijn hoofd. “Nee, gelukkig niet ome Arie. Een kennis van ons heeft een ongeluk met haar fiets gehad, maar ze zal er wel weer bovenop komen!” Ik wilde hem niet vermoeien met al te veel details. “Maar wat doe jij hier?” De oude boer glimlachte: “Boudewijn, u weet wel, die wielrenkampioen van Agaath, is met zijn fiets gevallen. Gebroken!” Hij grijnsde: “Zowel zijn heup als zijn fiets!” “Zijn fiets?”, vroeg ik. “Het schijnt, dat zo’n frame van carbon gewoon kan breken!” Ome Arie liep naar zijn klompen. Nieuwsgierig volgde ik hem. Hij tikte aan zijn pet naar de stropdas als dank voor het bewaken van zijn schoeisel. De man lachte terug. Ome Arie vervolgde: “Onze Eddy Merkx was als altijd aan het ‘stayeren’ achter Agaats’ scootmobiel, toen ze opeens vol in de remmen ging vanwege een overstekende slak of zoiets.” Ik zag een beeld van een wielrenner, die door de lucht vloog, maar ome Arie stelde dat beeld bij: “Hij kon nog precies op tijd remmen, maar kreeg zijn voet niet los van de trapper en viel gewoon opzij. Op zijn heup!” Dat klonk wel wat minder spectaculair dan mijn oorspronkelijke voorstelling van zaken. “Maar dan begrijp ik niet waarom dat frame gebroken is?” “Daar is mijn schoonzus met haar scootmobiel overheen gereden, toen ze wilde kijken hoe het met haar eega ging!” Ik schoot ondanks deze dramatische geschiedenis nu toch in de lach. Ome Arie, hierdoor aangemoedigd, kreeg een beetje valse grijns op zijn verweerde gezicht: “Ik heb hem nog aangeboden dat frame te repareren, maar hij kon mijn voorstel niet waarderen.” Ik keek vragend. “Waarom niet?” vroeg ik, toen hij zijn verhaal niet uit zichzelf afmaakte. “Volgens hem kon dat niet.” “Dat schijnt inderdaad niet te kunnen!”, klonk ik een beetje eigenwijs, “Hoe had je dat dan willen doen?” “Met twee scharnieren, dan had’ie gelijk een vouwfiets gehad…” Op de achtergrond stond de stropdas te lachen.

IJsje

Één van mijn grootste genoegens van het leven is het stiekeme ijsje bij de GEBO. Op een zwoele zomeravond met een smoesje (“schat, het is zo’n mooie avond, ik ga nog even een rondje met de scooter!”) uit mijn luie stoel oprijzen en met een “Ik blijf niet lang weg…” de deur achter me dichttrekken in de hoop, dat ze niet achter me aankomt: “Ja, dat lijkt me ook wel lekker, even uitwaaien!” Zodra de deur in het slot klikt maak ik me dan ook zo snel mogelijk uit de voeten. Ze mocht zich eens bedenken… Zo ook die avond. Ik was de deur uit gesneld op het moment, dat ze zich net even had teruggetrokken op het toilet. “Ik ben even weg!” Je had vanuit het privaat wat gemompeld, maar dat had me niet weerhouden van een sprintje richting scooter. Met een tevreden grijns reed ik naar het haventje van ons dorp en stalde mijn vervoer bij de achteringang van de ijssalon. Het water liep me al in de mond. Het ultieme genot: het kiezen van een smaak uit die enorme uitstalling. Iets wat sinds mijn kindertijd nooit veranderd is. Eenmaal het steile trapje op hoorde ik een bekende stem: ome Arie! Hij stond met de hele boerenfamilie om zich heen voor de vitrine ijsjes te bestellen. Toen hij me zag, grijnsde hij. Hij kon verder weinig, want hij had een kleintje op zijn arm en hij worstelde met zijn portemonnee in de andere. “Goedenavond, ome Arie, aan het trakteren? Is het feest?” Ome Arie knikte, maar vóór hij antwoord kon geven riepen een paar kinderen in koor: “Het is st. Juttemis!” Ome Arie knikte en bevestigde: “Het is st. Juttemis!” Ik schoot in de lach. Één van de ouders op de achtergrond legde uit: “Wanneer de kinderen om ijsjes zeuren, zegt ome Arie altijd: “met st. Juttemis!” Een klein blij meisje met een druipend ijsje lachte: “En vanavond zei opa Arie opeens: “Kom jongens, naar de GEBO, want het is st. Juttemis!” Iedereen bij de ijstent schoot in de lach. Ome Arie pakte zijn ijsje aan, rekende af en worstelde zijn portemonnee weer in zijn kontzak. Hierdoor zag hij niet, dat er uit het snotneusje op zijn arm een enorme, door de zon glimmende druppel snot in zijn ijsbakje viel. Ik besloot er niks van te zeggen en bestelde mijn ijsje en nam er toch ook maar eentje voor mijn lief mee. Toen ik tevreden naar de achteruitgang liep hoorde ik ome Arie nog net zeggen: “Hé, malaga-zeezout! Wel lekker, Is dat een nieuwe smaak?”

Ome A.

Ome A.

Bij aankomst op mijn scootertje bij ‘ons’ bankje aan de haven zag ik, dat ome Arie er nog niet was. Het was niet echt mooi weer; een beetje bedrukt met wolken, veel wind en geen zon. De schoolvakanties waren begonnen. Een paar jochies zaten op een steiger te vissen. Ik ging zitten en stopte mijn pijp. Nadat ik deze had aangestoken, hoorde ik achter me een fietsbel. Ome Arie. “Goeiemorgen, meneer Ype!” Hij stalde zijn fiets en wilde naast me gaan zitten om ongetwijfeld zijn pijp te gaan stoppen, maar plots rende hij verbazingwekkend snel het bankje voorbij en sprong op de steiger, waar zonet nog de jongetjes hadden zitten vissen. Hij greep een hengeltje, dat bijna het water ingetrokken werd door een onwillige vis. De oude boer pakte het op en wist met enige moeite de vis op het droge te halen, ondertussen wanhopig om zich heen zoekend naar de rechtmatige eigenaar van het visgerei. Maar de twee gastjes waren hem gesmeerd. De reden voor hun plotse verdwijnen bleek achter mij te staan: twee forse BOA’s, formaat gorilla, die ome Arie’s capriolen met het hengeltje belangstellend stonden te bekijken. Een mannetje en een vrouwtje. Het gorilla-wijfje stapte op de nu erg ongelukkig kijkende boer af: “Mag ik de vispas even zien?” Ome Arie keek wanhopig van het hengeltje in zijn ene hand naar het spartelende visje in de andere, naar mij en tenslotte naar het wijfje. “eh… Vispas? Hoezo, vispas?” “Je staat toch te vissen?”, tutoyeerde de B(ehoorlijk)O(nbeschofte)A(ap). “EEEH, nee, die hengel is helemaal niet van mij, die lag hier en dreigde in het water te vallen!” Dat maakte weinig indruk. Met een nogal overdreven gebaar haalde miss Lomp een opschrijfboekje tevoorschijn. “Mag ik je legitimatie?” Ome Arie was zelden met zoveel stomheid geslagen. De gorilla herhaalde: “Legitimatie, graag!” Het mannetje deed ook een paar dreigende stappen in de richting van onze schurk. “Die ligt thuis..”, stamelde de oude baas. Het wijfje schudde haar hoofd terwijl het mannetje zijn mobilofoon pakte. Binnen een paar minuten, in ieder geval sneller dan bij een inbraak, stonden er een paar echte agenten om de verbouwereerde ome Arie in een busje te laden. “Zal ik even zijn legitimatie voor hem ophalen?”, vroeg ik aan de vriendelijkst uitziende diender. “Is prima, het bureau is vlakbij, dan is het zo opgelost!” Ik sprong op mijn scooter en bracht ome Arie’s id-kaart naar het bureau. Daar bleek deze al te zijn opgevangen door zijn favoriete nichtje, die agente is. Met ome Arie achterop reed ik terug naar de haven, waar de jochies alweer lang en breed zaten te vissen. “Heeft u een bekeuring gekregen, meneer?” kwamen ze nog even belangstellend, en zich een beetje schuldig voelend, vragen. “Nee, jongens, door al het gedoe zijn ze dat waarschijnlijk vergeten!”  Ik kon niet nalaten hem toch een beetje te plagen: “Maar morgen staat er wel een stukje in het Kompas, ome Arie, met een grote kop: Stroper betrapt in de haven van Oud-Beijerland. En daaronder: de verdachte, ene ome A., is door de politie meegenomen voor verhoor!” Nu kon ome A. zelf ook weer lachen.

Volksdansen

Net op het moment, dat de corona-crisis bezworen leek ging het weer mis; een nieuwe variant en een slecht getimed advies van onze verantwoordelijke bestuurders gooiden behoorlijk wat roet in het eten. Het was alsof zelfs het weer teleurgesteld reageerde; toen ik, al redelijk nat, mijn scootertje op de standaard zette, zat ome Arie al onder een grote visparaplu zijn pijpje aan te steken. Ik pakte ook een bescheiden pluutje uit het mandje achterop mijn scooter en pakte mijn pijp. “Goeiemiddag, meneer Ype!”, klonk het, ondanks de omstandigheden, behoorlijk vrolijk, “Goed, dat u uw eigen plu hebt meegenomen, want met de nieuwe uitbraak van de ‘horeca-pest’ mogen we weer niet te dicht bij elkaar zitten!” Ik moest glimlachen om zijn nieuwe naam voor de ziekte, welke de wereld al lang teisterde. Ik stopte mijn pijp, hetgeen geen simpele handeling is, wanneer je ook nog een paraplu moet vasthouden. Gelukkig was er weinig wind en resulteerde mijn gevecht in een geurig rookwolkje uit mijn pijp. Ome Arie had me tijdens dit geworstel even niet gestoord. Hij beantwoordde mijn rooksignaal met kleine ronde wolkjes, die als o-tjes zijn mond verlieten. “Het is inderdaad een enorme teleurstelling, ome Arie!”, pafte ik, “Het is maar goed, dat die ‘kopvoddentaks’ van Kuifje Wilders niet doorgegaan is!” De oude boer keek even opzij. Ik vreesde, dat hij me niet begreep en vervolgde: “Met die mondkapjes hadden we dan allemaal flink moeten dokken, denk ik!” Het kwartje viel; er verscheen een brede grijns. “Maar er wordt wel meer flink geblunderd in Den Haag!”, vervolgde ik. “Inderdaad,” nam ome Arie het gesprek van me over, “en dat kan voor gewone mensen als u en ik desastreuze gevolgen hebben…” Nu begreep ik op mijn beurt hem niet meer. “In ieder geval voor mijn schoonzus Agaath!” Er kwam nu een beetje vals grijnsje om zijn mond. “Die was dolblij, dat bijna alles weer mocht en wilde haar truttige volksdansgroepje weer wat leven inblazen!” Hij trok aan zijn pijp om het effect van zijn verhaal te vergroten of gewoon om het rookgenot aan de gang te houden. “Dus die kon niet wachten en heeft een hele berg affiches laten drukken om nieuwe leden voor haar ‘Klompenklossers’ te werven!” De grijns bereikte nu zowat zijn oren: “Weet u wat daar op stond, meneer Ype?” Ik schudde mijn hoofd. De oude baas kon zijn lachen bijna niet bedwingen: “Vijfhonderd prachtige affiches, vijfhonderd! Allemaal met de tekst: ‘kom gezellig volksdansen met Jansen!’” Nu schoot ik ook in de lach.

Lease

Het was een roerige week geweest. Hierdoor had ik ome Arie al bijna een week niet meer getroffen op ons bankje bij de haven. We waren beiden blij elkaar weer te zien. “Goeiemorgen meneer Ype!” “Goeiemorgen ome Arie!” We stopten onze pijpjes en genoten van het moment. Het was het begin van veel vakanties. Gezien de drukte in het haventje hadden veel mensen besloten in eigen land te blijven. Een protserige speedboot voer langzaam richting passantensteiger. Aan het stuurrad van het wanstaltige geval stond een bruin gebronst sportschooltype erg overtuigd van zichzelf te wezen. Helaas ging alles goed; geholpen door een boegschroef kreeg hij de snelle Jelle langszij de passantensteiger. Ome Arie en ik zagen het lukken van zijn afmeer-manoeuvre met lichte teleurstelling aan. De zonnebankman kwam, na wat gestoei met landvastjes, op ons af. “Weet u waar ik het kantoor van de havenmeester kan vinden? Ik wil graag water bunkeren!” Het klonk zelfs erg vriendelijk. Zo zie je maar, dat je moet uitkijken met vooroordelen. “Het clubgebouw is dáár!”, wees ik, “maar ik weet niet of er iemand is. De havenmeester komt vanzelf naar u toe. En volgens mij ligt er ergens bij uw steiger een slang, waarmee u drinkwater kunt innemen…” Tarzan bedankte me vriendelijk en liep, waarschijnlijk gedwongen door enorme bovenbeenspieren, wijdbeens terug naar zijn statussymbool, alwaar een miniscule bikinidraagster verveeld rond zat te kijken. Ome Arie nam een trekje van zijn pijp en kreeg een gemeen grijnsje om zijn mond: “Geleast”, zei hij slechts en wees. Achter op de polyester badkuip stond, in hele kleine lettertjes, de naam van een leasebedrijf. Ik nam de grijns van de oude boer over. Het was dus allemaal schone schijn. Alleen de bikinidraagster leek bij hem te horen, tot Tarzan haar de tuinslang aangaf en goed hoorbaar commandeerde: “Doe jij die slang even in de watertank, Lies!” Gelukkig begreep hij ons harde gelach niet.

Oranje

Het werd steeds drukker in ons dorp. Alsof haar bewoners waren ontwaakt uit een diepe winterslaap geteisterd door nachtmerrie ‘Corona’. Ome Arie zat genoeglijk aan zijn pijp lurkend de bedrijvigheid te bekijken toen ik met mijn scootertje ‘ons’ bankje bij het pittoreske haventje van ons dorp naderde. “Goedemorgen, meneer Ype!”, begroette hij me vrolijk. “Goedemorgen, ome Arie!”, antwoordde ik, terwijl ik mijn scooter op de standaard zette en mijn rookgerei uit de bergruimte onder het zadel pakte. De lucht rook fris naar een vers gevallen regenbui. Met een zakdoek maakte ik het voorbestemde zitgedeelte droog, ging zitten en stopte mijn pijp. Het leven kan soms in al zijn eenvoud heel genoeglijk zijn. Een diep in een hoody verstopt persoon kwam op de fiets op ons af. Desondanks herkende ome Arie het en er verscheen een grote glimlach. “Als dat mijn favoriete nichtje niet is!” Het wicht begroette oomlief met een heuse omhelzing. Het kwam na al die maanden ‘onthouding’ een beetje onwennig over. “Eindelijk mag het weer!”, alsof ze zich verontschuldigde. Ome Arie leek zelfs wat verlegen, maar herpakte zich al gauw. Hij leunde achterover, trok aan zijn pijp en keek haar vragend aan. “Maar waarom heb je een capuchon op? Zo koud is het toch niet?” Als antwoord keek ze schichtig om zich heen. Ze deed een hoekje van haar hoofdbedekking opzij en toonde een plukje fel oranje haar. Ome Arie kon een grote grijns niet onderdrukken: “Dus jij dacht ook, dat het Nederlands elftal wel even van die Tsjechen zou winnen?” Ze knikte: “Ik gokte op minimaal een finale…” Ze zuchtte: “En na de finale heb ik vakantie van school, dus dan was het minder erg geweest!” Een begripvol wolkje rook kronkelde uit de mond van de wijze boer. Bij de oranje-fan vloeiden inmiddels de tranen: “Zo ga ik echt niet naar school, hoor!” Ome Arie probeerde haar te troosten: “Ach, je zult echt niet de enige zijn, die onterecht enthousiast was voor het Nederlands elftal!” “Ja, maar niemand is zo stom om heur haar oranje te verven!” “Niemand?” pafte ome Arie. “Nee, niemand is zo oerstom!!” Ze stampte met haar voet op de grond uit pure frustratie. De oude boer bleef uiterst kalm: “Dat denk ik wel!”, en hij nam zijn petje af. Daaronder zat in plaats van de vertrouwde grijze bos krullen een oranje vogelnest. Ik liet bijna mijn pijp uit mijn mond vallen van verbazing. Het nichtje viel even stil, maar daarna gierde ze het uit van het lachen: “Dat méén je niet!” En hikkend er achteraan, nogmaals: ““Dat méén je niet!” Ze stikte er zowat in, deed de hoody omlaag, sprong met haar oranje-krullen wapperend in de wind op haar fiets en riep nogmaals: ““Dat méén je niet!” en: “Dat moet ik mama gaan vertellen!” Ze fietste, nog steeds brullend van het lachen, snel weg. Ome Arie zette zijn pet weer op en mompelde: “Haar moeder weet het al…” Ik keek hem verbaasd aan. “Gisteravond belde die me op om te vragen of ik iets wist om het kind weer wat op te vrolijken.” Ik keek nu nog verbaasder: “Maar hoe kwam je dan aan oranje haarverf, ome Arie?” De oude baas glimlachte: “Ik had nog ergens een potje menie staan, en dat is hartstikke oranje…” Nu schoot ik ook in de lach. “Ik draag toch altijd al een pet, maar nu dus zelfs in bed, want Riek wil geen menie-vlekken op het kussen!”

Citroensmaak

Het was een beetje grauwe, benauwde dag en ik zat met ome Arie zwijgend simultaan pijp te roken op ons bankje aan de haven. Komkommertijd. Om ons heen werden Gebo-ijsjes gegeten door komkommerstellen met komkommerkinderen. Bootjes voeren het haventje in en legden keurig aan aan de passantensteiger. Zonder onvertogen woorden, zonder lollige overboord-gevallen. Ome Arie zuchtte en ik zuchtte gezellig met hem mee. En we trokken weer precies tegelijk aan onze pijp om daarna precies tegelijk een wolkje de lucht in te sturen. 

Een meisje met een groot Gebo ijsje ging tussen ons in zitten. Dat kon omdat wij nog op ‘corona-afstand’ van elkaar zaten. Ze was tussen het likken door druk doende met haar mobieltje.  Ome Arie keek me achter haar langs aan. Met een verbaasde boerenkop. Het meisje was te druk mobiel bezig om ons op te merken. Met verbazingwekkende snelheid toetste ze waarschijnlijk heel zinnige teksten met de duim van haar rechter hand, waarmee ze haar telefoontje ook vasthield, terwijl de linker het ijsje bediende. Het was een fascinerend gezicht. “Krijgt u nou nooit kramp in uw duim?”, kon ome Arie niet nalaten te vragen. Ze keek verstoord op, maar gaf toch met een glimlach antwoord: “Dan wissel ik van hand!” Ze wilde het voordoen, maar dat viel niet mee vanwege de druipende lekkernij. Ome Arie bood de helpende hand te bieden en hield haar ijsje even vast. Ze pakte haar telefoon over en nam met haar rechterhand het ijsje weer van ome Arie aan. Dat hielp en de toetsen-kunstenares toonde aan, dat ze links net zo gemakkelijk typte als rechts. Ome Arie en ik applaudisseerden luid, waarop het meisje een lichte buiging maakte. Toen ging haar telefoon. Opnemen leek éénhandig weer lastig, dus drukte ze ome Arie weer haar ijsje in de hand. Ter verkrijging van enige privacy stond ze op en nam wat afstand voor haar zo te zien niet bijster gezellige gesprek, ome Arie met het lekwerk achterlatend. Deze zat nu erg ongelukkig om zich heen te kijken het druipende geval ver van zich afhoudend ter voorkoming van ijsvlekken op zijn kleding. Het gesprek duurde precies een ijsje lang, want toen de belster eindelijk terugkwam overhandigde onze ongelukkige boer haar een leeg hoorntje. Met zijn hand onder het ijs zat hij beteuterd te kijken hoe zij het in een prullenbak gooide en een beetje bozig wegliep. Ome Arie likte het ijs van zijn hand en bromde met een zuur gezicht: “Citroenijs, niet mijn favoriete smaak…”

 

IJsje

Rond ons bankje aan het pittoreske haventje van ons dorp stond een groep jongelui. Op het moment dat ik me teleurgesteld wilde omdraaien ontwaarde ik in de puber-kluwen ome Arie. Hij was in een opperbeste stemming. “Meneer Ype, kom erbij, we hebben veel te vieren!”  Nieuwsgierig liet ik me door de groep omsluiten en nam plaats op mijn vertrouwde plek naast de vrolijke boer. Deze wees een aantal voor mij volslagen onbekende jongedames en jongeheren aan: “Allemaal geslaagd, meneer Ype, allemaal kanjers!” De kanjers zelf stonden wat verlegen te lachen. “Nou, van harte gefeliciteerd, kanjers!” enthousiaste ik gezellig mee. Ik begreep zijn trots. Hij pakte zijn portemonnee en haalde er een bankbiljet uit: “Jongelui, ijs voor iedereen, bij de Gebo!” Het was snikheet, dus de geste werd met graagte geaccepteerd. “U ook, meneer Ype, en breng voor mij twee bolletjes, nee, doe maar drie bolletjes malaga mee. Het is tenslotte feest!” Ik bestelde ook mijn favoriete smaak bij één van zijn favoriete nichtjes en al gauw zaten we allemaal van de lekkernij te genieten. Op één favoriete kleindochter na. Ome Arie keek haar vragend aan: “Waar is jouw ijsje?” “Ik hoef niet…”, stamelde het ietwat bleke wicht, “Dank u.” Ome Arie keek even mijn kant op, en toen weer naar de verlegen jongedame: “Je lust toch wel ijs?” Ze knikte. De oude baas vroeg met zijn ogen een nadere verklaring. “De anderen hebben allemaal HAVO of VWO, ik slechts de VMBO, dat telt niet echt…” ome Arie stond op, gaf zijn nog onaangeroerde bakje met drie bollen malaga aan het minderwaardigheidscomplex en zei: “Houd dit even vast…” Hij nam zijn pet af en maakte een diepe buiging voor haar en stal mijn hart door de woorden: “Ik neem mijn petje diep voor je af, want als er iemand respect en malaga-ijs verdient, ben jij het wel! Jij leert net zo moeilijk als je opa, en die was dolblij met het behalen van zijn lagere landbouwschooldiploma!” Het was doodstil, en toen klonk er een luid gejuich, omdat applaus nou eenmaal lastig gaat met een ijsje in je hand…” De jongedame kreeg een rood hoofd en wilde het bakje ijs aan ome Arie teruggeven, maar de geweldige opa nam het niet aan: “Lust je malaga?” Met tranen in haar ogen knikte ze, terwijl ze een flinke hap nam. Ik had ook tranen in mijn ogen en stootte onze wijze boer aan: “Straks een biertje van mij bij Barona, maat?”

Vlaai

Het bankje bij ons haventje voelde warm aan toen ik er op plaats nam. Letterlijk, want de zon had de planken behoorlijk opgewarmd. Ome Arie zat zijn pijp te stoppen en in het haventje was er veel bedrijvigheid aan boord van de plezierjachtjes. Ter voorbereiding op het plezier dienden vele onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd. Veel ligplaatsen waren leeg. Het mooie weer had veel amateurschippers doen besluiten uit te varen. Soms ook tegen hun bemanningen, wanneer het schipperen niet geheel vlekkeloos verliep.

Ik pakte mijn pijp en volgde ome Arie’s voorbeeld. Al gauw rookten we simultaan en tevreden. De vroege zomer geurde heerlijk, de vogels zongen en de meisje droegen korte rokjes. Een sjagrijnig oud zwart pak fietste voorbij en balde tot mijn stomme verbazing zijn vuist naar ome Arie. Deze reageerde met een zucht; “Rotkoe!” Hij nam een trekje van zijn pijp. “Rotkoe?”, reageerde ik verbaasd. “Ja, rotkoe!”, en hij blies een wolkje stoom af. “Ik heb ooit, in de tijd, dat ik de boerderij nog had, een prijs gewonnen bij een loterij…” En vervolgens weer: “Rotkoe!” Ik kon een glimlach met moeite verbergen: “Wat heeft die rotkoe nou met die loterij te maken, ome Arie?” “Alles, meneer Ype, alles!” Hij klonk verontwaardigd. Ik ging achterover zitten, daar ik weer een mooi verhaal voelde aankomen. “De één of andere vereniging had bedacht om de kas te spekken met de opbrengst van een zogenaamde vlaaien-wedstrijd…” Hij produceerde een mooi O-vormig rookwolkje. Ik besloot mijn onbegrip niet te laten blijken. “Dus daar hadden ze een koe voor nodig.” Nu werd het me te machtig: “Vlaaien-wedstrijd? Koe?” De gepensioneerde veehouder knikte: “Men verdeelt een weiland in vakken met nummers. Je kunt je geld inzetten op een nummer en er wordt een koe op dat weiland losgelaten. En op het nummer van het vak waar die koe haar eerste koeienvlaai laat vallen valt de prijs!” Ik snapte het principe. We namen gelijktijdig een stevige haal aan onze pijp. “Maar wat was er dan met die koe?” Ome Arie keek voor zich uit, zonder het gedoe in de haven echt te zien. “Dat was Bertha drieëntwintig. Mìjn Bertha drieëntwintig!” Hij zuchtte: “En mìjn Bertha drieëntwintig kakte precies in het vak waar ik mijn geld op had gezet. Iedereen was toen boos op me!” Ik kon er wel om lachen: “Echt stront aan de knikker dus!” Ome Arie lachte als een gepensioneerde veeboer met kiespijn, “Ja, lach er maar om, meneer Ype. Ik kon het ook niet helpen, maar iedereen dacht, dat ik Bertha drieëntwintig had afgericht of zoiets. Ik had alleen maar ingezet om het goede doel te steunen, het was nooit in me opgekomen, dat ik zou kunnen winnen.” Nu lachte ik hardop. “Sommige mensen zijn er na al die jaren nog boos over, zoals dat zwarte pak op zijn fiets net.”