De gitarist

Gisteren heb ik de ‘oliebollenwedstrijd’ met het daaropvolgende ‘Legends-dinner’ bij de Zinkwegse boys gemist. Ik moest voor ‘de VerhalenKaravaan’ een verhaal vertellen in de ‘Buitensluis’, een verzorgingshuis in Numansdorp. Dat was al enige tijd geleden afgesproken. Helaas, maar afzeggen vond ik geen optie. Ik begreep uit de uitnodiging voor ‘de Buitensluis’, dat het een gezellig samenzijn ter afsluiting van het jaar betrof en had al visioenen van biertjes en bitterballen achteraf.  
Bij binnenkomst in de recreatiezaal van het tehuis werden we (Elly was meegegaan) uiterst vriendelijk ontvangen met koffie en een oliebol. Medeverteller Bert was al de geluidsinstallatie aan het uitladen en stelde ons voor aan de ceremoniemeester (“zeg maar Piet”): “Wij zijn de vertellers van vanmiddag. Dit is Ivo en ik ben Bert!” Ik keek even verbaasd opzij en fluisterde: “Ype, Bert, Ype”, maar het hielp weinig. ‘Nou dan ga ik de boel maar Op-stelten zetten dacht ik’, maar zei het maar niet hardop, want mijn oog viel op een velletje papier, dat op tafel lag. Bij iedere stoel. Er stonden gezangen op. Ik kreeg een donkerbruin vermoeden, dat ik dat biertje en die bitterballen wel op mijn welgevormde buik kon schrijven. Ceremoniemeester Piet bleek de voorganger te zijn van de dienst ter afsluiting van het jaar. Het zwarte pak met stropdas had me al een voorgevoel moeten geven. Ik begon gelijk koortsachtig te denken over het door mij geplande verhaal. Dat ging hem niet worden, dus er moest ter plekke een ander, meer stichtelijke versie worden bedacht! Mijn handen werden enigszins vochtig. 
Na het openingsgebed en een welkomstwoord mocht ik. Ik had gelukkig een soort inleidingspraatje geschreven en besloot dit tot een volledig verhaal uit te improviseren in combinatie met een al bestaand verhaal. Het ging redelijk. Alleen liet ik één keer mijn vader oliebollen in plaats van bloembollen in de tuin poten, maar er waren maar twee bejaarden en Elly die het hoorden. 
Toen kwam er een gezang. Begeleid door een grijs gepakt mannetje achter een electronisch orgel en mijnheer Meijer, een stokoude baas, die helemaal voorovergebogen over zijn elektrisch versterkte gitaar hing. Laatstgenoemde trachtte wat mee te tokkelen met de organist. En dat ging niet geheel volgens de melodie. Dhr. Meijer had, vanaf mijn positie tenminste, zo te zien geen bladmuziek voor zich, dus hij deed maar wat. Het klonk niet. En dat vond de organist ook. Deze keek steeds sjagrijniger en besloot het volume van zijn orgel een standje hoger te zetten. Dhr. Meijer reageerde vrij alert voor zijn leeftijd en draaide ook aan zijn knoppie. Het werd een wedstrijd en resulteerde in een volume, waar een gemiddelde rockband zich niet voor zou schamen. Een aantal bejaarden zat met een pijnlijke uitdrukking op het gezicht achter hun oren te friemelen; ze zetten hun hoorapparaatjes uit. Wij hadden helaas geen oordopjes bij ons. 
Na een langgerekt eindakkoord, duidelijk gewonnen door de verbeten kijkende organist, ging de grote voorganger verder met zijn dienst. 
Na de ceremonie zou onze gitarist nog een stukkie spelen ter begeleiding van het publiek naar de uitgang. Ik heb nog nooit een stel bejaarden zo snel een deur zien bereiken! Echt: rook uit de lagers van hun rollators!
We pakten in en Dhr. Meijer slofte langs achter zijn rollator, met de gitaar en versterker in het mandje. “U was snel klaar, mijnheer Meijer”, zei Bert. De oude baas stopte even en zuchtte, met zijn hand omhoog, pink naar ons toe: “Ik ben eerder dit jaar gevallen en heb daarbij mijn pink gebroken”. Hij zag er erg triest uit. “Nu gaat het gitaarspelen niet echt goed meer. Ik denk, dat ik er maar mee stop.” Hij slofte verder de lange gang van het tehuis in. Wij waren even stil.

Kerstverhaal

In deze periode van terugkijken op het afgelopen jaar en plannen maken voor het komende groeit het besef, dat onze geschiedenis steeds langer en onze toekomst steeds korter wordt. Jaren geleden, toen mijn toekomst nog oneindig leek, werd aan onze praktijk (toen nog aan de Kasteelweg in Rotterdam) gevraagd of we bereid waren met de kerst te werken. Een stervende oude kolenboer wilde nog één laatste Kerst bij zijn familie doorbrengen en de specialist van het ziekenhuis wilde daar alleen toestemming voor geven, wanneer er een fysiotherapeut bereid werd gevonden de man twee keer per dag te kloppen en te zuigen. Dat ‘kloppen en zuigen’ diende om het overtollige slijm uit ’s mans longen te krijgen. (Inmiddels zijn de inzichten daarover wat veranderd) Dat zuigen was voor mij nieuw, maar collega Peter had daar wel de nodige ervaring mee, die had stage gelopen op de longafdeling van het Dijkzigt-ziekenhuis. Hij zou het me wel even leren, want volgens hem was het een fluitje van een cent. Dus we stemden in en ik ging een afzuigapparaat halen bij de Kruisvereniging. Dat bleek een vooroorlogs stoffig geval. Hij deed het wel, maar daar was alles mee gezegd. Dat ‘fluitje van een cent’ ging tegenvallen. De wijkzuster zei: “Ik wist, dat we nog ergens zo’n museumstuk moesten hebben.” Er waren gelukkig wel goed ingepakte gesteriliseerde slangetjes om op het ding aan te sluiten. Collega Peter keek een tikkie vies, toen ik met het fossiel aan kwam zetten, maar na wat schoonmaakwerk leek het nog ergens op. “In Dijkzigt hadden we wel een iets modernere uitvoering,” gromde hij. We probeerden even of het ding goed werkte en alle slangen pasten. Dat viel mee. We spraken af, dat we op kerstavond samen zouden gaan, dan kon hij het me voordoen, ik eerste kerstdag, en hij dan tweede kerstdag. Op kerstavond troffen we ergens in een flat in Zomerland een doodzieke oude man met een warme familie aan zijn zijde. Hij glunderde met een kleindochter op zijn bed. We vroegen de familie of we even samen de behandeling mochten doen en iedereen verliet de kamer. Het kloppen en ontspannen door de ademhaling te ondersteunen gaf de man duidelijk verlichting. Toen Peter het afzuigmuseumstuk ging klaarmaken pakte de oude baas mijn hand en fluisterde: “Hoeft het niet?” Ik hield zijn hand vast en zei: “Maar dan raakt u toch wat slijm kwijt en kunt u nog meer van het feest genieten?” De man keek ons met holle ogen aan. Eerst mij, daarna Peter, die al met de afzuigslang klaarstond. “Het is erg vervelend en helpt maar heel eventjes.” Door gebrek aan lucht kwam het er met horten en stoten uit. Ik keek mijn collega aan. Die knikte en maakte aanstalten om de boel weer op te ruimen. “Niks tegen mijn familie zeggen, hoor!”, zei de oude baas, “anders sturen ze me misschien terug naar het ziekenhuis.” Peter fluisterde tegen mij: “Het klopt wel, vaak helpt het maar heel kort, en lopen die longen extra snel weer vol door de prikkeling met de sonde.” Vanuit het bed werd onze aandacht gevraagd. “Maar ze mogen niks vermoeden, dus ze moeten wel geluid horen alsof er echt wordt afgezogen…” Daar had hij een punt, dus we speelden het spel mee en zetten het apparaatje aan, deden het slangetje even in het waterglaasje van de patient, zodat het voor de huiskamer ernaast net klonk, alsof er liters slijm afgezogen werd. Het slachtoffer zelf kreunde af en toe, als begeleiding bij dit hoorspel voor het publiek in de huiskamer.We hebben dat toneelstuk de hele kerst volgehouden en de oude kolenboer lag telkens met een brede grijns in zijn bed en vond het prachtig. Enerzijds omdat we hem een rotbehandeling bespaarden, anderzijds omdat we de boel een tikkie in de maling namen.

Betrokkenheid

Gisteravond was er weer een jaarvergadering van de BlauwRode HeerenClub. Er werd ons leden na de vergadering eten (spareribs) beloofd, dus kwamen we in groten getalen opdagen. Bovendien stond er een moeilijk punt op de vergaderagenda, die we niet ter inzage kregen, daar de printer, bij gebrek aan toner, niet functioneerde. Niemand maakte zich er druk over, omdat we allang wisten, wat er te komen stond. Het bestuur ging nu echt aftreden. 20 Jaar lang hadden ze ermee gedreigd en werden ze simpel herbenoemd, volkomen in strijd met de statuten, maar nu was het menens. Uit onvrede? Nee, gewoon, omdat ze nu echt plaats wilden maken voor jonge, enthousiaste, betrokken gasten. Met nieuwe ideeën. 
Dus voor de laatste keer zaten hoogheer Melle (van der Giesen) en hoogheer Arne (Vos) achter de tafel, met naast hen, aan de zijkant van de tafel, bescheiden als altijd, hoogheer Arie (de Regt). Alleen half-hoogheer Ton (Verkerk) wilde nog wel blijven om de nieuwe generatie op gang te helpen. Toen hoogheer Melle vroeg om kandidaten voor de opvolging, gebeurde een wonder, dat me een heel warm gevoel gaf. Er gingen een aantal vingers de lucht in. Jonge gasten die zo betrokken waren, met zoveel respect voor het zittende bestuur, dat ze haar werk wilden voortzetten. 
Uit hun uitleg bleek ook, dat ze er ook goed over hadden nagedacht en er heel wat liters bier over hadden gediscussieerd met elkaar. De toekomst van de BRHC, het symbool voor betrokkenheid bij onze Zinkwegse Boys, ziet er gewoon goed uit, denk ik.  
Maar toch ga ik het oude zooitje een beetje missen…
Hoogheren, bedankt!

Wat doen we met Opi met de Kerst?

Het is weer de periode waarin de familieverhoudingen voor het komende jaar bepaald en van het vorige jaar geëvalueerd worden: Het is de tijd waarin bepaald wordt wat te doen met opa en oma met de kerst. Telefoon, kleinkind aan de lijn: “Opi, mama maakt een statement met de kerst!” Het antwoord, met een beetje krakende stem van ouderdom: “Geen idee, wat dat is,  maar zeg maar tegen je moeder, dat opa en oma ook genoegen nemen met een lekkere biefstuk of gewoon gourmetten, zoals ieder jaar!” De telefoon wordt overgedragen. “Hai, pa. We wilden dit jaar samen met de kinderen een statement maken voor het milieu. Dus we maken een vegetarisch kerstdiner!” Dit komt hard aan. Er valt een stilte. “Pa, ben je er nog?” “Ja, kindje, ik moest het even verwerken.” “Komen jullie ook? Ik denk, dat ik een lekkere linzensoep met kastanjeballen maak…” Weer even een stilte. Opa komt uit een tijd, dat een groot stuk vlees het ultieme bewijs was van hoe goed we het hadden, van luxe. En dat gevoel hoort voor hem bij de kerst. De gedachte aan linzensoep met kastanjeballen past daar in ieder geval niet bij. “Ik moet even met je moeder overleggen, ik bel wel terug!” Op de achtergrond zit oma doof te breien. Aan haar hoeft hij het helemaal niet te vragen, want zij wil de kinderen en kleinkinderen altijd zien, al krijgt ze helemaal niks te eten. De ‘overleg-smoes’ gebruikt hij altijd, wanneer hij even moet nadenken. 
Na een uurtje is hij eruit. Hij belt terug. “Hallo pa”, zegt dochterlief, die op de display heeft gezien dat hij het is, “En, komen jullie gezellig?” Opi schraapt even zijn keel en zegt dan: “Ik heb even een diepe discussie met je moeder gevoerd, maar wij willen juist een ‘statement’, zo noemen jullie dat toch,  maken door met de kerst een begin te maken met het verorberen van de halve Nederlandse veestapel. Om de C02 uitstoot nu eens goed aan te pakken. Daarom nemen we onze eigen ossenhaasjes wel mee…”

Het koor

“Zo mevrouw de Graaf, zit u gezellig te eten met al uw vrienden?” zei de oude man die voorbij schuifelde achter zijn rollator. De oude in elkaar gezakte dame zat alleen aan de lange tafel met een erg eenzaam bord voor zich. Oude mensen kunnen erg gemeen zijn. Ik kreeg medelijden en ging bij haar aan tafel zitten. We waren net terug van het ‘maaltijden rijden’ en dan kregen we traditiegetrouw een kopje soep. Elly kwam tegenover me zitten en zette de soep voor me neer. “Gebonden kerriesoep”, zei ze. Ik proefde en het was prima te eten, zoals meestal. Twee kraaloogjes keken even opzij. “Niet de moeite waard om voor te bidden”, zei ze met een verbazingwekkend heldere stem. Ik sprak haar niet tegen, daar ik de dubbele betekenis van haar woorden begreep. 
Op de achtergrond was het koor van het tehuis hevig aan het repeteren. Er werd gepoogd een zo te horen Afrikaans lied onder de knie te krijgen onder begeleiding van een paar trommels en, niet geheel Afrikaans, een piano. Onze tafelgenote vond het maar niks. “Kunnen jullie niet ophoepelen, ik zit te eten!” Het koor zong vrolijk door. De kraaloogjes keken weer opzij. Naast ons waren twee personeelsleden van ‘De open waard’ komen zitten, te herkennen aan hun uniform. De ene was een prachtige donkere vrouw met allemaal kleine vlechtjes. De kraaloogjes hadden haar gespot. “Versta jij er wat van?” De vrouw schudde haar hoofd en nam een hap van haar meegenomen boterham. “Zie je wel, ze zingen nog onzin ook, zelfs iemand daarvandaan verstaat er geen barst van !” Verontwaardigd nam ze een hap appelmoes. Op haar bord lag verder een aardappel en een halve bal gehakt. Meestal at ze haar bord niet eens leeg, maar haar boosheid had haar hongerig gemaakt. “Het is toch gewoon onbeleefd om zo vreselijk te zingen, wanneer een oud mens rustig wil eten”, mopperde ze nog even verder, terwijl de dirigent verwoede pogingen deed het koor wat Afrikaans bij te brengen.

De viool van mijn vader

Proloog

Mijn vader speelde viool. Hij deed dit al sinds zijn vroege jeugd in Indonesië. Mijn grootouders waren onderwijzer op Java, omdat ze, als fervente idealisten, vonden, dat Nederland de plicht had de bevolking van haar koloniën te onderwijzen, zodat ze uiteindelijk onafhankelijk zouden kunnen worden. Die mensen waren hun tijd ver vooruit. Daardoor stond mijn vader’s wieg op Java en hij groeide op samen met David, de zoon van de Baboe (De kinderverzorgster, vaak zelfs de ‘min’) Ze waren onafscheidelijk, en gingen ook samen naar het schooltje. En toen mijn vader viool-les kreeg van opa, kreeg David dat ook. 

Mijn grootouders gingen, helaas gedwongen door ziekte van opa, terug naar Nederland. Die laatste dag speelde David nog een stukje uit Das Forellenquintett van Schubert. Het afscheid, de jonge vrienden waren zo’n twaalf jaar, was hartverscheurend. 

Het verhaal 

Zoals gezegd: Mijn vader speelde viool. Dat wil zeggen, hij deed verwoede pogingen viool te spelen. Voor ons gezin waren zijn pogingen deels niet om aan te horen en deels uiterst plezierig om te aanschouwen. Als clownsact. Wanneer hij de trap afdaalde met zijn vioolkist onder de arm wisten we het al. We zorgden dan dat we in de buurt waren, zij het niet te dichtbij vanwege de kwaliteit van het vioolspel. 

Onze solist ging eerst zijn jasje uitdoen (ik ken mijn vader eigenlijk alleen in driedelig maatpak met das) en nam de viool uit de kist. Vervolgens werd het instrument gestemd. Dat kon even duren, ook omdat onze zwarte kortharige teckel bij de eerste tonen enthousiast begon mee te janken. Zingen eigenlijk, want hij vond het zelf erg mooi en ging er zelfs ‘mooi’ voor zitten, de voorpootjes los van de grond. Als een echte heldentenor. 

Mijn vader werd dan al ietsje chagrijnig, want het gegil van de hond zorgde ervoor dat hij zijn eigen viool zowat niet meer kon horen. Het dier werd dan ook al snel verbannen naar de gang, alwaar het beest voor de deur bleef zitten, om bij de eerste mogelijkheid weer naar binnen te kunnen glippen. Dan kwam het grote moment: Mijn vader pakte een langspeelplaat, waarop een vioolconcert stond: Das Forellenquintett van Schubert,

Hij noemde dat zelf steevast: De Forellen. Het bijzondere aan deze uitvoering van dat stuk was, dat de eerste viool was weggelaten. Een soort karaoke voor viool dus. 

Dan begon het feest. De plaat werd gestart, de naald erop gezet, de muziek begon. Mijn vader pakte zijn viool, zette deze aan de kin, en nam de strijkstok ter hand. En dat alles met een ietwat verbeten trek om zijn mond. Het was een zeer serieuze zaak.

Te laat, de muzikanten op de plaat waren dan al bijna bij de tweede bladzijde van het muziekboek. Wij lagen dan al krom van het lachen op de bank, maar wel zonder geluid, want pa kon er zelf niet om lachen.

Poging twee. De viool bleef onder de kin geklemd, de strijkstok in de hand. Opnieuw werd de naald op de plaat gezet. Dat ging iets beter. Pa stampte de maat met zijn voet, telde hardop, en viel precies een tel te laat in. Wij hadden inmiddels tranen in onze ogen. Op de gang was de teckel wel precies op tijd ingevallen met zijn gejank.

Pa deed dan vaak nog een aantal pogingen, soms zelfs geholpen door één van ons die dan de plaat voor hem startte. Een andere vrijwilliger bood dan aan de bladmuziek voor hem om te slaan.

Tevergeefs. Mijn vader heeft de tweede pagina dus nooit gehaald, en wierp na een half uurtje proberen zijn viool dan weer ontstemd in de kist. (Misschien daarom dat deze altijd weer voor het spelen opnieuw gestemd moest worden?)

De plaat werd weer opgeborgen en de teckel mocht weer binnen. En wij waren natuurlijk vreselijke cultuurbarbaren, vanwege ons gelach. 

Tot die ene dag. Het was 5 mei 1965, en mijn moeder stond in de keuken appeltaart te bakken, want 5 mei was altijd een bijzondere dag. Mijn vader legde zijn viool na een aantal hopeloze pogingen neer, en zei, toen ons gelach verstomd was: “Jullie zijn nu wel oud genoeg om het verhaal van deze viool te horen.” Wij waren verbaasd, want hij klonk ernstig, maar niet boos. We gingen om hem heen zitten en hij begon te vertellen: “Deze viool heb ik bijna mijn hele leven bij me gehad. Bijna mijn hele leven heeft hij mij getroost in moeilijke tijden, zoals in het krijgsgevangenkamp in Duitsland.”   Hij stak een sigaar op, dat was in die tijd nog heel gewoon. “Na de oorlog trouwde jullie moeder en ik. Niet lang na ons huwelijk moest ik als soldaat naar Indonesië. Java, het eiland van mijn geboorte, waar ik tot mijn twaalfde erg gelukkig was. Waar ik vrienden had, zoals David, de zoon van mijn Baboe. Maar nu in de rol van bezetter. Dat vond ik vreselijk. Ik werd kapitein en compagniescommandant in een klein plaatsje ergens op Java, niet ver van mijn geboortedorp. 

Op een dag werd midden in de pikdonkere tropennacht een schildwacht van de compagnie vermoord en werden er belangrijke documenten uit mijn kantoor gestolen.” Hij nam een trekje aan zijn sigaar. “…en mijn viool. Ik begreep de papieren, maar mijn viool?” Bij de gedachte schudde hij weer zijn hoofd.

“De manschappen wilden hun maat wreken. “Laten we een voorbeeld stellen! Wraak! We moeten laten zien, dat we niet met ons laten spotten! Vergelding! Laten we de kampong, waar de moordenaar woont, platbranden!”

Ik stond in de deuropening van mijn kantoortje en probeerde rustig te blijven. “Die boertjes in de kampong kunnen er niks aan doen, dat een paar ploppers iets vreselijks doen” probeerde ik, maar niks hielp. Een aantal mannen kwamen in opstand, blind van woede. Ik trok mijn pistool en schoot in de lucht. “Hebben jullie dan niks geleerd van de oorlog!” De tweede wereldoorlog was nog maar net afgelopen. Ik moest rustig blijven. ”Die arme jongen wreken op een heel dorp zal zijn nagedachtenis tot in de eeuwigheid bezoedelen. Dat mag niet gebeuren. Wraak en vergelding zijn de moedermelk van iedere oorlog, van iedere gruweldaad.”

Ik stond daar, alleen. En ik bleef daar staan, vastberaden, met mijn pistool in de aanslag.

De mannen hadden me nog nooit zo gezien, kalmeerden en dropen af.

De gesneuvelde werd begraven en de wacht verdubbeld. Maar vanaf die dag gebeurde er weinig meer. We liepen onze patrouilles en probeerden de bevolking waar nodig te helpen.

Na een paar jaar mochten we weer naar huis. Indonesië was onafhankelijk geworden. Terwijl wij inscheepten vierde de bevolking feest. Toen kwam een sergeant me halen: “Kapitein, we hebben een vreemd voorwerp gevonden bij uw spullen en zijn bang voor een boobytrap!” Ik haastte me naar de plaats op de kade waar mijn spullen stonden en zag: Een vioolkist. Mijn viool. Voorzichtig kwam ik dichterbij. In het deksel stond iets gekerfd: Een visje. Ik keek op en zag een magere man, die wegliep en even omkeek. Hij stak heel even zijn hand op. David! En weg was hij. We gingen allebei op weg naar vrede.”

De tranen stonden mijn vader in zijn ogen; wij kinderen waren muisstil. Hij pakte zijn viool en zonder een woord zette ik de plaat op en hielp mijn zus met de bladmuziek. Mijn vader speelde alsof zijn leven ervan af hing. De Forellen, zonder maar één hapering. 

Onze held, een onverzettelijk zachtmoedige. Mijn moeder hoorde de muziek en kwam zachtjes de kamer binnen, met haar schort voor en een theedoek in haar hand. De teckel glipte ook mee naar binnen, maar zong niet mee, alsof het moment betoverd was. We luisterden met open mond en zagen in gedachten de forel, die zich stroomopwaarts worstelde, berenklauwen ontwijkend, het aas van vliegvissers weerstaand, naar een glashelder meertje, vlakbij de bron van de rivier, met het zuiverste water. 

Om zijn gezin te beginnen in vrede, zonder geweld.  Vocht hij stroomopwaarts, mijn vader, mijn held!

Uitslag

Meelevende lezers vroegen me, of de uitslag van het bevolkingsonderzoek (zie mijn verhaal van enige weken geleden, bijv. op swartboek.nl) al binnen was. Wees gerust, beste lezers, de uitslag was gunstig: er was geen bloed in mijn ontlasting gevonden. In de brief werd mij bovendien geruststellend medegedeeld, dat ik me geen zorgen hoefde te maken dat ik me nu geen zorgen meer hoefde te maken. De test sloot niet alle ellende uit, en bij twijfel moest ik toch maar contact opnemen met mijn huisarts. Dus ik belde voor een afspraak: “Ik heb een brief gekregen en..” De assistente liet me niet uitpraten: “Donderdag tussen 15.30 en 19.00 uur kunt u komen, brief meenemen!.” en hing op. ‘Nou,” dacht ik zorgelijk, ‘Er is vast iets ergs aan de hand, als ze zoveel tijd voor mijn problemen uittrekt’. Die donderdag ging ik een beetje zenuwachtig met die brief langs bij mijn brilslang. Er stond een hele rij! Allemaal met de brief in de hand. Het is niet best gesteld met de gezondheid in ons land. Gelukkig ging het snel en kwam ik na een paar minuten bij de assistente. “Mouw even oprollen alstublieft”. Ze griste de brief uit mijn hand en legde hem zonder te kijken op een stapel. Ik rolde mijn mouw op, en schuifelde door naar de huisarts, en voor ik er erg in had, had ze een spuit in mijn bovenarm gejast. “Tot volgend jaar!” zei ze vriendelijk en met zachte dwang werd ik voortgeduwd naar de volgende hulp-brilslang, die een propje watten met een pleistertje op het spuitgaatje plakte. “Maar…”, probeerde ik nog, maar toen stond ik al buiten naast een groot bord, waarop ‘Griepvaccinatie: achter aansluiten’ stond. Teleurgesteld ging ik maar weer naar huis.Volgens mijn Elly moest er echt wel iets mis zijn. Zeker na de voor het milieu desastreuze gevolgen van de overheerlijke uiensoep van schoonzus Rita van zaterdag jl. Mijn lief verliet die avond boos met haar kussen onder haar arm onze slaapkamer, al grommend, dat mijn uitstoot van Co2 erger was dan die van alle boeren bij elkaar. “Maar die eten toch ook wel eens uiensoep?” probeerde ik nog, maar ze trok de deur al met een klap achter zich dicht. Misschien nieuwe afspraak bij de huisarts proberen.

De dreiging van de toekomst

Het gevaar bestaat, dat de dag van je pensionering de dag van de overgang is van een toekomst vol hoop naar een toekomst vol dreiging. Ik had ooit een patiënt, die de eerste zes maanden van zijn pensioen helemaal niets had gedaan. Dan was de overgang niet zo groot. Hij was ambtenaar geweest. 
Mijn eerste maanden verlopen redelijk chaotisch en dat past wel bij me. Soms help ik mijn lief met haar vrijwilligerswerk: maaltijden bezorgen bij oude mensen. Ik rijd en Elly overhandigt de blije doos. Dan gaat zo’n voordeur op een kier open, en een oudje, soms met de slab al voor, grist de voerbak uit haar handen. Door het raam zie ik de tafel al gedekt, te fel verlicht door een ouderwetse kroonluchter. Soms zit daar nóg een gammel oudje met mes en vork al in de aanslag in de perkamenten handen. De minst demente wordt vaak tegen wil en dank de mantelzorger…

Deze week hielp mijn lief na het maaltijden-rijden nog even in het ‘restaurant’ van het verzorgingshuis. Ik keek vol bewondering toe. Ze was helemaal in haar element, ging mosterd zoeken toen een ineengedoken oude man daarom vroeg, maakte grapjes, en hielp de kok met de toetjes. Op zo’n moment weet ik weer, waarom ik zo van haar houd. 
Opeens was er paniek. In de keel van een kleine, magere oude man kwam een kippenbotje klem te zitten. De oude baas leek te stikken. Elly riep me, maar gelukkig hoefde de Heimlich-greep niet, het botje vloog zonder hulp, samen met ’s mans kunstgebit in de spinazie a la crème. De medebewoners aan dezelfde tafel zetten hun maaltijd gewoon voort. Mijn eetlust was door dat beeld bedorven. 
Één van de disgenoten was boos: “Ik ben zwaar hartpatient, en ik vind het een schande, dat het zo lang duurt vóór dat er hulp komt! Stel je voor, dat míj wat overkomt” Dat het slachtoffer bijna gestikt was, leek hem niet veel te deren. Ik wilde boos reageren, maar hield me in. 
Oude mensen zijn nou eenmaal niet altijd leuk. Later hoorde ik, dat diezelfde chagrijn wel vaker ruzie maakte. Met iedereen. Hij kreeg ook niet veel bezoek meer. Laatst waren er, ter gelegenheid van zijn verjaardag, toch nog een paar mensen op de koffie geweest. Toen hij daarna voor de maaltijd naar beneden kwam zat er een briefje op zijn rug geplakt: ‘Niet reanimeren.’ en daaronder: ‘De familie’.  
De grootste dreiging van de toekomst.

Abbenello

‘Drup!’ Naast mijn plastic bekertje met redelijke koffie viel een druppel. Instinctief keek ik omhoog. De terrasoverkapping vóór de kantine lekte, hetgeen best vreemd was, daar het niet eens regende. “Er zal wel water op dat dakkie staan”, zei de eveneens omhoogkijkende Leo, die zojuist een druppel op zijn kop had gekregen. Hij had de koffie zojuist voor me gekocht in de kantine van de voetbalvereniging ‘Abbenbroek’ in het gelijknamige gat ergens tussen de gaten Heenvliet en Zuidland. We hadden even moeten zoeken naar de ingang van de parkeerplaats van de tegenstander van onze Zinkwegse Boys van die middag, met een bumperklevende en irritant toeterende oudere dame in een antiek Peugeootje achter ons. Ik had haar maar laten passeren. “Je zult zien, dat dat de bardame van de vv. Abbenbroek is”, had ik gegrapt, “Dat wordt lang wachten op onze koffie!” En inderdaad, bij binnenkomst deed ze net haar schort voor. Gelukkig had ze Leo niet herkend. 
De wedstrijd verliep stroef. Bij de rust was het gelijk. 1-1. In de rust kreeg ik, na lang wachten, een biertje van Melle. “Dat ouwe mens achter de bar kan niet meer dan twee consumpties tegelijk afrekenen”, mopperde hij. “En dat meisje al helemaal niet…” En dat waren de enigen achter de kleine bar waarboven in grote letters ‘Abbenello’ stond, als lollig bedoelde verwijzing naar ‘Milanello’, het beroemde trainingscomplex van AC Milan. De kantine stamde waarschijnlijk nog uit de tijd, dat Gullit en van Basten daar furore maakten. Nu was de boel oud en verlopen. Plafondplaten waren opgeschoven als teken van een speurtocht naar lekkages. 
Toen de tweede helft op punt van beginnen stond, haalde Jan, een vriend van Daan, nog een biertje. Hij was te gast en vertelde over zijn voetbalclub in België. Hij was daar voorzitter geweest. Melle was één en al oor. Net als een wat rossige heer, naar later bleek de voorzitter van de thuisclub. Toen deze hoorde, dat de club van Jan in de hogere regionen van het Belgische voetbal speelde, waar betaling van spelers gebruikelijk is, kwam hij met nieuwe biertjes onze kant op. “Van de vereniging”, zei hij, “voor onze gewaardeerde gasten!” Ik keek Melle aan, en we keken samen Jan aan, maar we accepteerden zonder aarzeling het gerstenat. “U komt zomaar uit het verre België eens kijken bij ons eerste elftal?” vroeg de gulle gever aan Jan. Jan keek nu beurtelings Daan, Melle en mij aan. “Ja, maar ik ben hier puur op persoonlijke titel”, zei onze Belgische vriend geheimzinnig, en nam een slok van zijn verse biertje. “Ja, Ja, natuurlijk”, zei de man, “maar wellicht zijn u de kwaliteiten van onze spits wel opgevallen…” Jan’s bek viel net niet open. We waren met stomheid geslagen. Zelfs Daan. “Dat is mijn zoon”, zei de trotse vader, terwijl hij zich met een veelzeggende knipoog discreet terugtrok. Op het veld scoorde het bedoelde talent vlak voor tijd de 3-3. 
‘Drup’ klonk het naast me. Het dak van de kantine zou ook gebaat zijn bij een lucratieve transfer….

Kak Zooi

Vrijdag zijn we Chinees gaan halen om weer een bakje te hebben voor mijn tweejaarlijkse bezoeking: Het doen van de zelfafnametest voor het bevolkingsonderzoek naar enge darm-ziektes. Bij het vorige onderzoek beschreef ik al (Zie mijn boekje: ‘Kapoentje en andere verhalen’), dat het behoorlijk lastig is een droge drol af te zonderen waar het teststaafje voor het laboratorium vier keer meedogenloos ingestoken kan worden. Vooral, wanneer je niet beschikt over een zogenaamde vlakspoeler. Dat is een toilet met een plateautje waar de hoop even mag uitrusten vóór de laatste reis. Een caravan- of campertoilet zou ook kunnen, want daar kun je het klepje naar de chemicaliën-tank dichtlaten tot na de test, maar om nou bij vrienden en kennissen met dergelijke kampeermiddelen te gaan vragen of ik in hun vakantieverblijf mag kakken, gaat ook wat ver. Dus het werd weer het bamibakje. We aten, zoals altijd, twee dagen Chinees en toen ging ik, zuchtend, met het schoongewassen bakje het toilet in. Een lastige toer, want je wilt geen drukfouten maken. Uiteindelijk kwam ik trots met mijn oogst de huiskamer in, toonde mijn lief het bakje met de woorden: “Gelukt! Een verse bak Kak Zooi!” Elly kon er niet om lachen, en las verder in haar romannetje. Ik ging aan tafel zitten, pakte de afnametester uit en wilde juist toesteken, toen ze haar boekje neerlegde. “Jij weet toch, dat de brievenbus op zondag niet gelicht wordt, lieve?” zei ze met een beetje sarcastisch glimlachje en maakte aanstalten om de honden uit te gaan laten, mij vertwijfeld achterlatend. Ik las de gebruiksaanwijzing van de test: ‘Doe de testzet nog dezelfde dag op de bus…’ Het was zondag, en ik meende nog te weten, dat de test op werkdagen bij het lab moest arriveren. Maar dan nu dit. “Morgen nog maar eens proberen…” zei mijn plaaggeest, de deur achter zich dichttrekkend. Ieder huwelijk kent zo zijn dieptepunten. Toen kreeg ik een goed idee. Wanneer je iets vers wilt houden moet je het gewoon invriezen! En dan morgen gewoon even ontdooien, tester er in prikken en op de bus doen. Dus ik pakte het dekseltje, duwde de iets boven de rand van het bakje uitstekende drol er een beetje plat mee, en zette het afgesloten geheel in de vriezer. Gelukkig stelde echtgenote bij het thuiskomen geen vragen. De volgende morgen kwam er des te meer commentaar, toen ik het testmateriaal in de magnetron trachtte te ontdooien : “Wat stinkt hier zo?” “Kak Zooi, voor de poeptest,” grapte ik, “van gisteren, even ontdooien”. Dit werd me niet in dank afgenomen. “Je gaat toch wel erg achteruit, hoor,” zei ze slechts. “Ik ga me echt zorgen over je maken.” Ze was niet eens echt boos. Vernietigend.Inmiddels had ik de testprikker vier keer in de drol gestoken. En dat was na vijf minuten op 800 watt niet bepaald kouwe kak meer. Het door de hitte vervormde staafje paste niet goed meer in het bijgeleverde plastic buisje. Wanhopig pakte ik alles toch maar zo goed en zo kwaad als het ging met veel plakband in. Met het schaamrood op mijn kaken heb ik de boel maar op de brievenbus gedaan. Vanmorgen kreeg ik met de post een nieuwe zelfafnametestset opgestuurd, met een briefje erbij, dat de door mij opgestuurde test ‘in ongerede was geraakt’, en dat ik de gebruiksaanwijzingen vooral goed en vooraf moest lezen.