Fakenieuws

De nazomer was mooi. De ‘Indian Summer’. De eerste bladeren vielen. Een in een oranje wegwerkers-pak gestoken man blies ze weg met een lawaaierig apparaat. Ome Arie zat met zijn pijp driftig wolkjes uit te blazen terwijl hij iets op zijn telefoon zat te lezen. Hij zag mij, bromde: “goeiemiddag”, en las verder. Ik zei vrolijk “goeiemiddag!” terug. Ik pakte mijn pijp. Hij las verder, duidelijk geïrriteerd. Ik liet hem rustig begaan, terwijl ik mijn pijpje aanstak. Er zat hem iets dwars en daar zou hij vanzelf wel over beginnen. Zo zaten we even, samen in stilte te roken. Na een tijdje keek hij me aan: “Dit geloof je toch niet!” Hij wees met zijn pijp op zijn telefoon en herhaalde: “Dit geloof je toch niet?” Ik zei niets, maar keek hem vragend aan. Ik was niet van hem gewend, dat hij zo boos ergens op reageerde. Doorgaans was hij een voorbeeld van rust en waardigheid. Dat waardeerde ik juist zo aan hem. Rust en waardigheid worden heden ten dage meestal overschreeuwd door minkukels met gebrek aan decorum. Hij wees nogmaals op zijn draagbare beeldschermpje: “De commentaren, die ik krijg op uw stukje van enige dagen geleden!” Ik keek verbaasd, me van geen kwaad bewust: “Over Agaath in de bramenstruik?”, vroeg ik, me van geen kwaad bewust. Hij knikte: “Wat ze daarvan maken!” Woedend trok hij aan zijn pijp. Hij opende de bewuste app. “Hier:” Hij gaf mij zijn telefoon. Met stijgende verbazing las ik de kop van het stukje: ‘bejaarde vrouw ontsnapt aan poging tot groepsverkrachting door losgeslagen, met messen gewapende, asielzoekers!’ Verbaasd trok ik mijn wenkbrauwen op. “Maar dat heb ik helemaal niet zo beschreven!” Nu begreep ik zijn boosheid. “Het is gewoon niet waar!” Ik werd nu ook boos. Zo zaten we samen even boze wolken uit te blazen. Reageren op dit soort haatdragende leugens is zinloos, dat beseften we allebei. Haat is lastig te bestrijden. Hooguit met relativerende humor: “Agaath kennende, komt iedereen, die haar probeert te verkrachten in aanmerking voor slachtofferhulp!”, zei ik zachtjes, niet wetend of mijn metgezel deze opmerking kon waarderen. Ome Arie keek verbaasd mijn kant op en er verscheen weer een klein glimlachje op zijn verweerde kop: “Dat zal ik er maar niet onder zetten, want ik weet niet of Agaath dat leest” zei hij, nu weer rustig, “maar ik denk, dat u gelijk hebt, meneer Ype!” Even was het stil. Hij keek me bezorgd aan: “Zou Agaath dit stukje lezen?” Ik blies een wolkje uit: “vast niet, ome Arie, vast niet!”
De bladblazer voorkwam met zijn kabaal een verder gesprek.