Bramenstruik

Bramenstruik
Ome Arie veegde de eerste herfstbladeren van dit jaar van zijn kant van ons bankje. Hij ging met een diepe zucht zitten en pakte zijn pijp. Ik besloot niet naar de reden van zijn zwaar gemoed te vragen. Ik was die middag ook nog maar net gaan zitten op ‘ons’ bankje aan de haven. Ik stak mijn pijp aan. Het was vrijwel windstil. De wolkjes kringelden bijna recht omhoog. Ook bij mijn bankgenoot ging de vlam in de pijp. Weer volgde een diepe zucht, waarmee de rook met kracht het luchtruim koos. Ik keek opzij. “De opwarming van de aarde heeft bij mij thuis enige vertraging opgelopen,” zuchtte hij. Ik keek verbaasd opzij. “Riek is boos!” Hij trok aan zijn pijp. “En daarmee is er een nieuwe ijstijd aangebroken…” Ik grinnikte: “Ach, beste vriend, dat zal ook wel weer goed komen.” Hij reageerde niet. Ik vervolgde: “Maar wat is er dan gebeurd?” Mogelijk moest hij gewoon even zijn verhaal kwijt. Hij keek mijn kant op: “Klein ongelukje in de keuken. Riek was naar Agaath, want die had ook een ongelukje gehad!” Hij kreeg nu zelf ook weer een lachje op zijn gezicht: “Ze reed in het Zuid-Beijerlandse bos en is daar pardoes een bramenstruik in gereden. Alleen het fascistische oranje-wit-blauwe prinsen-vlaggetje dat achterop haar scootmobiel op een lange fiberglas-steel is gemonteerd, stak nog boven het groen uit.” Ik kreeg een beeld van de situatie. “En als steun voor de boeren heeft ze dat vlaggetje ook ondersteboven gehangen!” Ik zag er de humor wel van in. “Maar net op dat moment kwam er een groepje jongens voorbij.” Hij stopte even en keek om zich heen. “Buitenlanders. Die liepen zich daar te vervelen. Agaath zou zeggen, dat ze daar rondkeken of er nog iets te verkrachten viel.” Ome Arie kon wel lachen om deze grap. “Die gasten schoten gelijk te hulp. Met hun vervaarlijke zakmessen sneden ze takken weg en ze tilden met elkaar de scootmobiel, met Agaath er nog op, uit de braamstruik.” De verteller kreeg een grote grijns op zijn gezicht: “En al die tijd zat Agaath met haar armen gekruist voor haar borst!” Ik keek even opzij: “Was ze bang, dat ze haar borsten wilden betasten?” “Neen,” gierde ome Arie, “Ze had een t-shirt aan, waarop met grote letters stond: IK REM NIET VOOR ALLOCHTONEN !”
Nu schoot ik ook in de lach. Nadat we uitgelachen waren zat ik nog wel met de vraag waarom Riek boos was geworden. Op mijn vraag hierover verdween de lach van ome Arie’s verweerde kop: “Omdat Riek er niet was besloot ik voor mijn lunch een lekker bakkie erwtensoep uit de vriezer op te warmen in de magnetron. Toen het belletje ging, wilde ik door het ruitje kijken, maar dat was groen. Net als de rest van het interieur van de magnetron.” Hij zuchtte weer. “En toen kwam Riek binnen…”