Namen

Toen ik aankwam bij ons bankje zag ik ome Arie in gesprek met een klein mannetje. De waarschijnlijke moeder stond er geamuseerd bij te kijken. Ik hield een beetje afstand, teneinde het moment niet te verstoren. Aan de passantensteiger lagen drie scheepjes: een lelijk modern polyester strijkijzer, een lelijke ‘plamuur-kuip’ (Een stalen motorkruiser, die er strak uitziet door het nodige plamuurwerk) en een sloep. De haven was nog behoorlijk vol. Het hoogseizoen was dan wel voorbij, maar het was nog te vroeg om het vaargenot aan wal te takelen voor het winterse onderhoud. Inmiddels was de audiëntie bij ome Arie afgesloten. Ik ging naast hem zitten en pakte mijn pijp en mijn tabak. “Dat was mijn kleinzoon,” zei ome Arie, “tenminste: één van mijn kleinzonen,” hij stopte nu ook zijn pijp. “In het bijzijn van de kleinsten rook ik niet.” Ik knikte begrijpend. Hij stak zijn pijp aan. “Dit is de jongste”. Hij blies een wolkje uit. “Ik heb grote en kleine kleinzoons. Die grote zijn al in de twintig. Deze is vier.” Ik kon het nog volgen. “Er is nog een kleine, die is niet zo groot als deze.” Klonk logisch. Maar toen werd het lastiger: “Dat is mijn kleine kleine kleinzoon.” Nu begon het mij te duizelen: “Dus er bedtaat ook een grote kleine kleinzoon?”, vroeg ik verbaasd. De oude veeboer knikte: “Dat is dus deze!” Hij leunde achterover. “Zo houd ik ze uit elkaar!” Ik begon het spoor bijster te raken. “En je weet ook hoe ze heten?”, vroeg ik, “Ook handig om ze uit elkaar te houden!” Ome Arie keek opzij: “Natuurlijk,” zei hij, ietwat beledigd, dat ik aan zijn geheugen dorst te twijfelen: “de oudste heet Arie!” Ik wist nu nog weinig; “De oudste van de groten of de oudste van de kleinen?” Het begon op een sketch van Snip en Snap te lijken. “Allebei!” “En deze?”, vroeg ik. “Omar!,” was het antwoord, “Maar omdat deze arabische naam bij sollicitaties later wellicht problemen geeft, hebben ze hem nog een naam gegeven!” Het klonk triomfantelijk. Hier was over nagedacht: “Arie!” Ik herhaalde de hieruit volgende totale naam: “Omar Arie!”, en probeerde mijn lachen in te houden.