Stroomnet.
Op ‘ons’ bankje bij de haven zat iemand. Zonder klompen. Het was neef Nitus, zo genoemd vanwege zijn nimmer aflatende overal tegen zijnde. Een teken des tijds. Na enige twijfel besloot ik toch naast hem plaats te nemen, daar ik ome Arie ook nog verwachtte. “Goeiemorgen, Tinus (zijn echte naam)”, groette ik. “Goeiemorgen, meneer Ype (zo noemt ome Arie mij ook altijd)”, antwoordde hij; “Ome Arie is er nog niet!” Ik knikte, pakte mijn pijp en mijn tabak. Neef Nitus volgde nauwlettend mijn bewegingen. Ik keek, terwijl ik de geurige melange zorgvuldig in mijn pijp stopte even zijn kant op. Hij liet me trots een pijp zien: “Ome Arie zou me leren pijp te roken!” Ik stopte even met stoppen. “Hoe dat zo, knul?”, vroeg ik. Ieder manlijk persoon onder de vijftig is voor mij een ‘knul’. “Het is veel gezonder dan vapen en het staat veel interessanter!” Dat laatste klopte wel. Het eerste zou ik eerder omschrijven als ‘minder slecht’, maar ik hield mijn mond. Dat wist hij zelf heus wel.
Op dat moment kwam ome Arie aanfietsen. Hij stalde zijn ebike, pakte zijn rookbenodigdheden en kwam bij ons zitten. “Goeiemorgen!”, groette hij, “Ik ben wat later dan anders, maar ik moest omfietsen. Het hele dorp ligt overhoop voor allerlei nieuwe leidingen.” Ik knikte, want ook ik had hierdoor wat vertraging opgelopen. “Weet u, waar al die nieuwe leidingen voor dienen, ome Arie?”, vroeg Tinus. “Natuurlijk, knul, natuurlijk weet ik dat.” Hij pakte zijn pijp. “Maar eerst mijn pijp stoppen. Let goed op knul: wanneer een pijp nieuw is, moet je deze inroken.” Neef Nitus hing aan zijn lippen. “Dan vul je de kop niet verder dan de helft en druk je de tabak lichtjes, maar wel stevig aan.” De neef zat met zijn tong in zijn mondhoek zorgvuldig de instructies op te volgen. “Is het zo goed?”, vroeg hij, terwijl hij zijn pijp aan professor Arie gaf. Deze voelde in de pijpenkop of de tabak strak genoeg zat. Hij keek er heel gewichtig bij. “Zo moet het lukken, knul, zo moet het lukken!” De knul pakte de pijp weer aan, nam deze in zijn mond en trachtte de tabak brandend te krijgen. Met een lucifer. Dat was onbegonnen werk bij windkracht vijf. Ome Arie schudde het grijze hoofd. Hij gaf de stuntelende neef zijn gasaansteker. Al gauw proestte Tinus zijn eerste rookwolken uit. Ook ome Arie stak zijn pijp aan. De mijne brandde al even. Zo rookten twee van ons genoeglijk en één wat ongemakkelijk ons pijpje. “Maar hoe zit het nou met die leidingen?”, vroeg neef Nitus. Ome Arie blies een wolkje uit. “Nou, dat zit zo: het elektriciteitsnet raakt overbelast.” Neef Nitus knikte. Daar had hij wel eens iets over gehoord: “Met al die elektrische auto’s en datacenters en zo, toch, ome Arie?” “Nou, in ons dorp zit geen echt datacentrum, volgens mij.” Neef Nitus wist hier niets op te zeggen. “Maar wel veel zonnepanelen!”, sprak onze oude veeboer. Hij trok heel interessant aan zijn pijp. Tinus was één en al oor. “En bij zonnige dagen leveren die zonnepanelen stroom aan het net!” Tinus trok verwoed aan zijn gedoofde pijp. Ome Arie gaf hem zijn aansteker weer. Nadat de pijp van de neef weer rook voortbracht, vervolgde ome Arie: “En dat stroomnet is geschikt voor stroom leveren, en dus niet voor stroom ontvángen!” Ik verslikte me bijna in een rookwolkje. “Voor terugleveren liggen de kabels verkeerd om.” De neef begreep er niks meer van. “De stroom kan niet heen en weer in 1 kabel. Dat is toch logisch!” Tinus keek mij aan, maar ik keek zeer ernstig terug. “Daar heb ik nog nooit bij stilgestaan…”, stamelde hij. Ome Arie dus wel: “Dus nu leggen ze extra kabels in de straat, speciaal voor de teruglever-stroom. Die liggen ook andersom!” De neef dacht diep na, mompelde iets in de trant van “klinkt logisch, maar…”, en liep, al rook uitblazend, twijfelend richting de dijk. Daar keek hij nog eens om. Ome Arie en ik vertrokken geen spier tot de beginnend roker uit het zicht verdwenen was. Toen gierden we het uit.