Eva

Het was zonnig, maar minder warm dan de vorige dag. Ome Arie zat genoeglijk zijn pijpje te roken, tevreden als altijd. Ik parkeerde als altijd mijn scootertje achter ons bankje. Het water in ‘ons’ haventje stond laag. Het klinkt misschien vreemd, maar het is net of het verschil tussen hoog- en laag-tij te ruiken is. Net of hoogtij frisser ruikt. Ik snoof de lucht nog eens op voor ik naast mijn vriend op het bankje plaats nam. “Goeiemiddag, meneer Ype”, groette hij, “goeiemiddag”, antwoordde ik. Ik pakte mijn pijp en mijn tabak ter voorbereiding van mijn rookgenot. Het haventje was nog grotendeels leeg. Wachtend op de zomerdrukte. Een enkel scheepje werd door een verveelde bejaarde schipper afgespoeld en gezwabberd, zoals hij die week al drie keer eerder gedaan had. Als tijdverdrijf in saaie tijden. We wisten, dat zijn ‘matroos’, zoals hij zijn vrouw altijd plagerig noemde, deze winter was afgemonsterd. Voorgoed. De man was sindsdien vaak op zijn bootje, de Eva, genoemd naar zijn lief, bezig de herinneringen op te poetsen. Hij was ooit eens bij ons komen zitten om wat van die herinneringen met ons te delen. Over hoe ze, nog niet zo lang geleden, samen hadden genoten van de rust van het voor- en naseizoen. Helemaal alleen in een kreekje in de Brabantse Biesbosch. Ze hadden, begeleid door een koor van vogels en kikkers, stiekem naakt rond hun bootje gezwommen, vrij, haast gewichtloos en ondeugend als in hun jonge jaren. Hij had na deze intieme bekentenis uitvoerig zijn neus gesnoten, was weer naar zijn Eva gesjokt om haar nog maar eens af te spoelen, liefdevol, geen plekje vergetend.