Oud en wijs

Oud en wijs
De verkiezingen voor de gemeenteraad waren weer voorbij. Het was net of ons haventje er weer wat vrediger bij lag. Ik rookte tevreden mijn nieuwe pijpje. Ome Arie kwam rustig aangefietst. Zo rustig, dat het mij verbaasde, dat hij niet omviel. Knap! Hij stalde zijn trouwe ros achter ons bankje. “Goeiemorgen, meneer Ype!” Ik groette hem terug. Hij pakte zijn pijp en een zakje tabak en ging naast me zitten. “Zo, mooi weer voor een pijpje en een goed gesprek!”, zei hij monter. Ik moest glimlachen. “De verkiezingen zijn gelukkig voorbij, dus kunnen de mensen weer normaal doen tegen elkaar!” Ik begreep hem. Ook in mijn omgeving had ik veel discussies vermeden. Oost-Indisch doof en oost-Indisch dement. Ik ben te oud geworden om te strijden. Waar is de tijd van de onverzettelijk zachtmoedigen? “Ik bedoel u niet, hoor, meneer Ype!”, onderbrak ome Arie mijn gedachten. “Dat begreep ik, ome Arie!” Ik trok aan mijn pijp. “Wij zijn het ook niet altijd eens, maar wij luisteren nog wel naar elkaar!”
“En respecteren elkaar”, voegde de oude melkveehouder eraan toe. We rookten even stil onze pijpjes. Een paar minuten stilte voor de slachtoffers van de blinde en dove haat, die helaas vaak gepaard gaat met domheid. Ome Arie zuchtte: “Ach, meneer Ype, wij zijn ook te oud geworden om te haten. Daar wordt een mens zo moe van.” Ouderdom heeft zo zijn voordelen.