Aan de kant van het smetteloos wit besneeuwde voetbalveld stond een klein mannetje, een beetje in elkaar gedoken, met zijn handen diep in zijn zakken. Ik zag hem, toen ik over de Zinkweg langs mijn favoriete club reed. Nieuwsgierig reed ik naar beneden en zette mijn auto op de invalidenplaats op het verder totaal lege parkeerterrein. Ik stapte uit. Hij keek om en herkende mij als een mede-Zinkwegger. “Het is vast afgekeurd”, zei hij toen ik dichterbij was gekomen en dat was slecht nieuws aan zijn toon te horen. “Dat denk ik ook.” beaamde ik. Hij zuchtte. Door de kou kwam er een wit wolkje uit zijn mond. Hij moest duidelijk even stoom afblazen. “Een ramp!” Vervolgde hij. Ik keek even opzij en zag een klein zorgelijk koppie. “Dan moet ik naar mijn oma en opa.” Het klonk niet alsof dat het hoogtepunt van de week ging worden. “En die moeten me dan weer zo nodig gaan opvoeden, dan mag ik niet op mijn mobieltje kijken en zo…” Ik luisterde aandachtig, want mocht ik ooit nog opa worden zou ik hier mogelijk veel van kunnen leren. Hij ging verder: “Dan moet ik mee naar één of ander stomvervelend museum met allerlei ouwe zooi, die me niets interesseert. En dan moet ik net doen, alsof ik het geweldig leuk vind, anders worden ze chagrijnig en gaan ze tegen mijn ouders zeuren.” Ik had een beeld van deze tragedie. Hij schopte even zachtjes tegen een paaltje en bleef praten: “Hier heb ik het altijd helemaal naar mijn zin. Ik mag na onze wedstrijd met mijn vriendjes op het Pannaveldje voetballen, of in de speeltuin klimmen en schommelen. Ik krijg altijd wat geld mee om lekkere patatjes te eten. En niemand begint te zeuren, wanneer ik een spelletje op mijn telefoontje doe.” Hij glom helemaal bij de gedachte alleen al. “En dan kijken naar het eerste, de bal ophalen, wanneer die over het doel geschoten is en in de kantine snoep kopen.” De ideale zaterdag, begreep ik. “Mijn ouders zijn er normaal altijd de hele dag, maar nu moesten ze weg. Ik mocht eindelijk een keertje alleen! Ze zouden me dan om vijf uur komen ophalen.” Hij zei even niks. Ik keek samen met hem over de witte vlakte met de twee besneeuwde doelen. De netten hingen triest omhoog. Terwijl hij wegslenterde gromde hij: “Dat wordt dus weer een zaterdag me rot vervelen.” Ik keek hem na; een eenzaam klein figuurtje, dat schril afstak tegen de weidse witheid. Ik had medelijden met het ventje, en moest denken aan de dichtregels van Michel van der Plas: ‘Ik zit me voor het raam onnoemelijk te vervelen, ik wou dat ik twee hondjes was, dan kon ik samen spelen’.