Ook dit jaar werd ik niet met een doorzichtige smoes naar het stadhuis gelokt om daar uiterst verrast te reageren op de ontvangst van een lintje. Niet dat ik het verwachtte, maar je weet maar nooit.
Ik mis een belangrijke eigenschap om iets op mijn borst gespeld te krijgen. Uithoudingsvermogen. Koninklijke onderscheidingen zijn vooral gebaseerd op uithoudingsvermogen. En ik ben geen doorzetter. Ik houd mijn ‘goede werken’ niet langer vol dan een jaar of zes. En dat is te kort.
Wanneer je 40 jaar lang op je knietjes met een verfschrappertje stiekem geplakte kauwgom van onder de kerkbanken hebt geschrapt kom je meer in aanmerking dan ik. Bovendien moet je van onbesproken gedrag zijn. Dus ze mogen je nooit verwijtend hebben horen vloeken, toen je daar met je verfschrappertje op je rug lag te tobben onder de bank van bijvoorbeeld de zoon van de burgemeester. Zoiets zou dodelijk zijn voor je lintjes-ambitie.
Alhoewel mensen, die dergelijk monnikenwerk doen nooit een dergelijke ambitie hebben. Ze doen het gewoon, omdat het gedaan moet worden. Zonder klagen. Bewonderenswaardig.
Mijn gedrag is wellicht ook niet geheel onberispelijk. Ik heb ooit eens na een uitgebreid gevierde koninginnedag op het erf bij boer Kees ietwat aangeschoten op mijn fiets gezeten, of althans pogingen daartoe gedaan. En toen tot overmaat van ramp vergeten die avond de met een oranje wimpel uitgeruste nationale driekleur binnen te halen. De volgende ochtend hing het drijfnatte dundoek mij verwijtend aan te wapperen voor het raam.
Alleen: wie zou mij verraden hebben? Je kunt ook niemand meer vertrouwen.
Volgend jaar zal het ook wel niks worden, want vanmorgen was ik rijkelijk laat met mijn vlag, en niet een half uur vóór zonsopgang. Foei!