Aan een tafeltje zat een mannetje in blauwrood voetbaltenue ingespannen op zijn telefoontje een spelletje te doen en tegelijkertijd een frietje te eten. Naast het bakje frites met mayonaise stond een glaasje cola. Geobsedeerd door zijn spel doopte het ventje een frietje in de cola. Die stond net naast de mayonaise. Ik moest even grinniken om het tafereel, vooral toen hij het patatje in zijn mond stopte en daarna met een vies gezicht weer uit zijn mond nam en er naar keek. ‘Pliep’ klonk het uit zijn mobiel. “Shit” mompelde het mobiele eenheidje en startte een nieuw spel.
Het is de vooruitgang, het is de huidige tijd. Je kunt er tegen zijn, je kunt er voor zijn, het maakt niks uit, het gebeurt gewoon. Ik wandelde met mijn biertje naar het zonovergoten terras en keek om me heen. Het was niet echt druk, maar wel gezellig. De boys speelden met veel inzet met het besef, dat in deze fase ieder punt belangrijk is.(het werd uiteindelijk gelijk) Aan de statafels stonden vijf mannen druk te vingeren op hun mobiele telefoons. “NBSVV staat voor” mompelde de één, “Rockanje staat achter” zei de ander. Gedachtenloos zocht de vrije hand één hunner aarzelend het verschraalde biertje, dat voor hem op tafel stond.
Ik liep langs de lijn naar de oude garde. Daar was de mobiele dichtheid een stuk minder. Aad Vink zat naast Joop Snel het eerste te bekijken. “Hoe is het, Aad?” vroeg ik, wijzend op het verband om zijn knie. Hij had vorige week een kunstknie geïmplanteerd gekregen. “Gaat prima” zei onze nestor, “Weinig pijn, maar dat zal ook met de medicijnen te maken hebben” Hij was tevredener over de knie dan over het door het blauwrode keurkorps vertoonde spel. Maar dat is hij zelden. Met zijn staat van dienst neemt niemand het hem kwalijk.
Het frietventje liep voorbij, al kijkend op zijn speelfoon. “Shit” zei hij. “Weer verloren?” vroeg ik belangstellend. “Nee, mijn batterij is leeg” mopperde hij, al rondkijkend, “En ik kan hem hier nergens opladen” “Eigenlijk zouden er rond het veld oplaadpunten voor mobieltjes moeten komen” opperde ik, quasi serieus, “Misschien kun je dat eens voorstellen bij de Blauwrode Heerenclub” en ik wees richting Melle van der Giesen. “Dan moet je bij die meneer zijn” Het mannetje keek mij aan, daarna naar Melle, toen weer naar mij, en moest lachen. “Mij neem je niet in de maling” zei hij, terwijl hij zijn mobiel in zijn broekzak stak en op zoek ging naar een bal om mee te spelen. Gelukkig!