2 januari

“Weten jullie wel wat dat allemaal kost?” zei mijn vader, terwijl hij demonstratief vrijwel alle schemerlampen in de woonkamer uitdeed, en de kachel een standje lager. Hij ging weer aan de eetkamertafel zitten en sprak ons toe, al tikkend met zijn pen op de blocnote, waarop wat vage aantekeningen stonden.
Het was ieder jaar hetzelfde. 2 januari; de dag van De Grote Bezinning. “Het moet echt anders dit jaar, hoor jongens” vervolgde hij. Mijn moeder knikte instemmend, maar dat was meer pedagogisch dan dat ze het er echt mee eens was. Ze vond het goed voor ons kinderen om te beseffen, dat alles niet vanzelf kwam. “Jullie hebben de oorlog niet meegemaakt” was ook zo’n pedagogisch verantwoorde uitspraak. Pa tikte verder op zijn blocnote en vertelde ons, dat er toch weer zuinig aan gedaan moest worden. Wij, mijn twee zussen en ik, hoorden het gedwee aan, maar luisterden niet echt.
Meestal hield pa het geen week uit. “Doe dat licht in de gang uit, wanneer je er niet hoeft te zijn!” klonk het regelmatig gedurende hooguit drie dagen, de kachel ging stiekem weer een tandje omhoog en de schemerlampen gingen één voor één weer aan. Mijn moeder was nou eenmaal gek op allemaal kleine lichtpuntjes in de kamer.
Na een week begon mijn moeder dan zachtjes over de prijs van de sigaartjes, die steevast per 1 januari weer omhoog was gegaan. En dat we toch allemaal offers moesten brengen. Mijn vader rookte kleine sigaartjes in een tijd, dat roken veel minder ongezond leek. Wij kinderen slopen dan de kamer uit, want dat was het startsein voor een moeilijke periode: Pa werd sjagrijnig.
Gelukkig duurde dat nooit lang. Bij de verjaardag van mijn oudste zus op 10 januari brandden de schemerlampen weer allemaal, was het lekker warm in huis en paften Pa en de visite (in die tijd stond er bij verjaardagen nog een groot glas met sigaren en sigaretten op de salontafel, zodat iedereen een rokertje kon pakken) er weer lustig op los.