Om 9.30 belde een jonge vader naar de praktijk. “Ik heb straks om 10.00 uur een afspraak bij u, maar het is papa-dag, en ik kan geen oppas voor mijn kindjes vinden. Mag ik ze meenemen?” Wanneer een man het over ‘kids’ of ‘kindjes’ heeft, gaan bij mij al de nodige alarmbellen rinkelen. Maar het zou grof zijn om gewoon “Nee” te zeggen, wat bovendien zou kunnen leiden tot lastige discussies over de betaling van de behandeling. “Ik wilde wel komen, maar daar u mijn kindjes er niet bij wilde, heeft u feitelijk afgezegd!” Dus ik stemde toe.
Het was mooi weer, dus even vóór 10.00 uur stond ik van de zon te genieten in de deuropening van de praktijk. En daar kwam de jonge vader. Op een fiets van zo’n drie meter lang met zo’n houten bakkie ergens middenin. Daarin het kroost. Hij probeerde de bocht naar de praktijk te nemen, hetgeen niet simpel is met zo’n Babboe-ding. (Is dat een verwijzing naar ons koloniale verleden?) Die heeft een draaicirkel van zo’n zes meter. Het lukte hem uiteindelijk het gevaarte voor de praktijk te parkeren en het feest kon beginnen. De kindjes bleken twee jongetjes gehuld in indianenpak te zijn. Ze stormden langs me heen de wachtkamer in, alwaar een schoteltje met pepermuntjes stond. Dat was dus direct leeg. “Oei, suiker”, zei papa, die iets te laat was om in te grijpen, omdat hij Babboe op slot moest zetten. (Wie zou zo’n ding willen jatten, en hoever denk je ermee te komen?) “Daar worden ze altijd zo wild van”. Dat ik het maar vast wist.
We gingen de behandelkamer in, en de kids moesten mee, want vader stond niet in voor de gevolgen, wanneer we Winnetoe en Witte Veder alleen achter zouden laten.
De behandeling werd een ramp. Van ontspanning bij de patiënt kon geen sprake zijn. Er werd een regendans uitgevoerd rond de massagebank, een plastic tomahawk miste mijn hoofd op een haar en er werden verwoede pogingen gedaan mijn veters aan elkaar te knopen. . “Boudewijn, blijf van die computer af! Roderick haal je vinger uit je neus!” En ik maar proberen te behandelen. “Kunnen jullie knipogen?” probeerde ik. Geen succes. De behandelbank ging opeens omlaag; iemand had de bedieningsbeugel gevonden. “Niet doen, Roderick!” Boudewijn trok aan vaders hand: “Papa, ik moet plassen” “Je hebt thuis nog geplast” “Maar ik moet weer!” Dus de patiënt kwam van de massagebank, kleedde zich aan en ging met zoonlief naar het toilet. Het duurde lang. “Ik hoef niet meer” hoorde ik zoonlief zeggen. Ondertussen keek broer Roderick mij met zijn priemende oogjes vorsend aan. “Jij bent dik” oordeelde hij. “Dat klopt, en jij bent vervelend”, antwoordde ik, want er was toch niemand bij. “Hoe kom jij zo dik?” “Door de pepermuntjes”, zei ik. Dat moest even verwerkt worden. Toen stond hij op, haalde de zojuist gepikte pepermuntjes uit zijn broekzak en ging ze in de wachtkamer op het schoteltje terugleggen.
Toen ze eindelijk weer vertrokken waren, heb ik de teruggelegde pepermuntjes toch maar vervangen, denkend aan het vingertje in de neus. Ik begreep heel goed waarom papa geen oppas voor zijn indianen had kunnen vinden.