Fietsclub

De dagen werden weer langer, de lente steeds duidelijker. Ik genoot van een zondagsritje samen met m’n lief in mijn gouden koets door de polder. Het was zonnig koud. We reden door de polder. Een boer stond met zijn handen in zijn kerk-pak, waaronder zijn klompen nogal vreemd oogden, zijn zegeningen in de vorm van een groene waas van kiemend zaad te tellen. Hij leek tevreden, maar dat kon schijn zijn, want tevreden boeren zijn zeldzaam.
“Moet je nou kijken!”, lachte mijn bijrijdster. In de verte kwam ons een vreemd defilé tegemoet. Voorop reed een scootmobiel waar een kinderfiets-vlaggetje bovenuit stak met daarachter een groepje ouderen met potsierlijke fietshelmpjes op hun grijze koppen. Ik stopte om dit schouwspel rustig te kunnen bekijken. Het duurde geruime tijd voordat het peloton ons bereikt had. De scootmobiel reed op standje ‘schildpad’ en de helmpjes erachter hadden door het gebrek aan snelheid de grootste moeite zich staande te houden. “Surplace in de polder” grijnsde ik. Ook mijn lief bekeek geamuseerd het wiebelende gezelschap. Toen zag ik ome Arie. Hij wankelde als laatste voorbij. Met het helmpje op zijn grijze krullen dreef hij zijn trappers aan met zijn zondagse klompen. Hij keek er niet erg gelukkig bij. “Ik hoor hier niet bij, hoor!” riep hij toen hij mij zag, wijzend op het gezelschap vóór zich. Hij demarreerde en stoof de groep voorbij. In mijn spiegel zag ik, dat de pelotonscommandant, waarin ik ome Arie’s schoonzus Agaath herkende, vanuit haar scootmobiel nog iets riep naar de vluchter in een poging hem op zijn drieste daad terug te laten komen, maar dat hielp weinig. Hij had zich voorgoed aan deze trage massa onttrokken.