Buurman Daan had gezegd, dat het vijfde van de Zinkwegse boys nog spelers zocht. Ik had vóór mijn studie ook met plezier gevoetbald en vond het wel een goed idee. Ik ging me aanmelden op een zaterdagochtend. Het was rustig in de kantine. Er zaten een paar mannen aan een tafeltje te klaverjassen. Ze dronken bier. Ik keek even op mijn horloge. Het was half tien. Naast me hing een grote vent aan de bar. In één van zijn ruwe handen had hij een pilsje. Achter de bar stond een kleine door het leven getekende man. Dat was Sam. Net toen ik een kop koffie wilde bestellen ging de telefoon. Sam slofte naar het communicatiemiddel en nam op. “Of het voetballen doorgaat?” Buiten scheen de zon, het had al heel lang niet geregend. Sam vertrok geen spier. “Ik zal het even aan de consul vragen, mevrouw”, en legde de hoorn naast het toestel. Hij slofte mijn kant op en keek me vragend aan. “Mag ik een kop koffie van u?” vroeg ik. Sam slofte naar de koffiepot, schonk wat kokende lava in een plastic bekertje en zette het op de bar voor me neer. “Een gulden” zei hij, binnensmonds en daardoor een beetje moeilijk verstaanbaar. Ik betaalde. De grote vent naast me keek me vorsend aan. “Ben je nieuw hier?” Ik beaamde dat. Sam slofte terug naar de telefoon. “Mevrouw, volgens de consul hebben de mollen hier stofbrillen op” De mannen aan het tafeltje gierden het uit, ik verslikte me in mijn koffie, maar Sam vertrok geen spier.
De man naast me begon een beetje vervelend te doen: “We motten eigenlijk geen nieuwe hier” Hij was dronken. Sam reageerde direct. Hij slofte onze kant op en zei heel rustig: “Tijd om op te stappen Akkie” Tot mijn verbazing stapte mijn buurman op. Sam verontschuldigde zich een beetje voor de reus. “Isaac heet’ie eigenlijk, en hij is niet helemaal lekker. Als hij zo is heb ik liever, dat hij vertrekt. Gelukkig is hij niet altijd zo.” Ik dronk mijn koffie op en heb me toch maar aangemeld als lid.