Als Rambo besluip ik de indringers, mijn wapen in de aanslag. Ik hoop dat ze me niet opmerken, anders zijn ze razendsnel vertrokken. Mijn tegenstanders zijn uit op mijn bloed, het is zij of ik.
Af en toe krijg ik zo’n mug met de blote hand te pakken. Ik plet ze tegen de muur of ik grijp ze in mijn vingers. Maar meestal gaan ze eraan dankzij een theedoek of een opgerold kledingstuk. Dat ik dat kledingstuk net heb uitgedaan is waarom ze mij moeten hebben, denk ik.
Dieren waarvan ik geen last heb, zoals spinnen, laat ik met rust. Maar zodra ik gezoem hoor komt mijn jachtinstinct boven. Meestal kan ik er wel een paar verschalken. Ik verdedig mezelf tegen een jeukende bult en ik voel me alsof ik een tijgeraanval weersta. Met mijn verbeten kop, theedoek en authentieke krijgerspose moet ik er maar mal uitzien.
Dat ik er een overwinningsdansje bij doe als er een muggenlijkje neerdwarrelt helpt mijn imago ook niet.
Maartje